|
Botuline toxine
Vanaf 1980 wordt Botuline toxine type A
(BtA) gebruikt voor de behandeling van aandoeningen
met verhoogde spieractiviteit, met name
voor dystonie. BtA geeft intramusculair
toegediend een reversibele , dosis afhankelijke
chemo-denervatie van de spier resulterend
in hypotonie of eventueel parese. Voor de
meeste vormen van focale dystonie is het
therapeutische effect van lokale intramusculaire
injecties met BtA min of meer aangetoond.
BtA injecties zijn therapie van eerste keuze
voor blepharospasme, cervicale dystonie
en schrijfkramp.
Er komen 7 serotypes van het bacteriële
endotoxine Botuline toxine (A tot G) voor.
Deze metalloproteases binden zich specifiek
aan receptoren op presynaptische cholinerge
zenuwuiteinden. Het toxine is een complex
eiwit van 900 kDa, dat bestaat uit een zware
en lichte keten verbonden door een disulfide
verbinding. Het Hc domein van de zware keten
zorgt voor de binding aan de zenuwcel. Na
internalisatie van het Botuline complex
in de axonen ontstaat door de lage PH in
de cel afsplitsing van het L domein van
het HN domein.. De in het cytosol vrijgekomen
L keten veroorzaakt proteolyse van de SNARE
eiwitten die betrokken zijn bij de release
van acetylcholine blaasjes in de synapsspleet.
BtA en E klieven het SNAP-25 SNARE eiwit,
de overige serotypes grijpen aan op verschillende
SNARE eiwitten. Het door BtA beschadigde
SNARE eiwit blijft lange tijd de neuro-exocytose
van ACH blokkeren, doordat het de synapspleet
blokkeert. BtA blokkeert cholinerge synapsen
in de motorische eindplaat en cholinerge
synapsen in het autonome zenuwstelsel. In
motorische zenuwuiteinden duurt het ongeveer
3 maanden voordat het beschadigde SNARE
is vervangen is door normaal functionerend
SNAP 25. Vroeg na intoxicatie met BtA ontstaan
er nieuwe collaterale sprouts van het motorische
axon met onrijpe eindplaatjes. Bij functie
herstel verdwijnen de nieuwe collateralen
en wordt de oorspronkelijke synaps weer
actief. De intoxicatie met BtA is derhalve
functioneel en anatomisch volledig reversibel.
Er zijn twee preparaten BtA commercieel
beschikbaar voor therapeutische toepassing;
Botox® en Dysport. Voor beide wordt
de potentie uitgedrukt in mouseunits (MU).
De hoeveelheid toxine met LD50 voor muizen
wordt gesteld op 1 MouseUnit (MU) of Internationale
Unit (IU). Bij dosering of publicatie moet
altijd vermeld worden welk preparaat gebruikt
is Het verschil in potentie en klinische
effectiviteit tussen de twee preparaten
wordt verklaard door verschillen in procédé.
Het betreft in beide gevallen gevriesdroogde
preparaten met NaCl (Botox, 5 ng toxine
complex per ampul) of lactose (Dysport 12,5
ng toxinecomplex per ampul) met verschillende
hoeveelheden toegevoegd humaan albumine.
Uit klinische studies blijkt bij therapeutisch
gebruik voor dystonie 1 MU Botox equivalent
aan 3 tot 4 MU Dysport. Omrekening tussen
de twee merken is echter niet geheel lineair,
er zijn geringe verschillen in mate van
diffusie en voorkomen van bijwerkingen.
In de meeste centra wordt in het algemeen
slechts één van beide merken
regelmatig toegepast, een keuze die meestal
historisch óf door gewoonte is bepaald.
Inmiddels is sinds enkele jaren ook beschikbaar
Botuline type B (BtB) met als merknaam Myobloc.
Dit preparaat is in Nederland echter nog
niet geregistreerd.

|
|
|
Blepharospasme
BtA injecties voor essentiële blepharospasme
zijn effectief bij ongeveer 90 % van de patiënten
Duur van het therapeutische effect wisselt van
2-3.5 maanden. Begin van klinische verbetering
ligt tussen 1-10 dagen post-injectie.
Begindosering voor BP is 12,5-20 MU Botox of 40-140
MU Dysport per zijde. Doseringen kunnen bij onvoldoende
resultaat worden verhoogd tot 35 MU Botox of 140
MU Dysport per kant. De m. orbicularis oculi (OOC)
bestaat uit 3 delen, het septale, orbitale en
pre-tarsale deel. Bij de eerste behandeling worden
3-4 locaties per kant in de OOC geïnjecteerd.
Per oog heeft de voorkeur 2 locaties in het orbitale
deel uiterst mediaal en lateraal met vermijding
van de meridiaan van het oog om diffusie naar
de levotar palpebrea en ptosis te voorkomen. Een
enkele injectie in het bovenste pretarsale deel
is ook zinnig, aangezien uit EMG studies gebleken
is dat dit deel dat van de OOC het meest actief
is bij blepharospasme. Meestal worden hier nog
2 injecties in het onderste orbitale deel van
de spier aan toegevoegd. Injecties in het onderste
pretarsale deel zijn minder gebruikelijk en veelal
niet nodig. Hier is er mee risico van diffusie
naar externe oogspieren of disfunctie van de traanbuis.
Bij onvoldoende resultaat kan de dosering en het
aantal locaties worden uitgebreid waarbij het
dan vaak effectief is om per oog de pretarsus
op 2 locaties te infiltreren. Eigenlijk zijn BtA
injecties in de OOC zeer oppervlakkig en waarschijnlijk
ook goed werkzaam als ze subcutaan geplaatst worden.
EMG controle is hier niet nodig. Bijwerkingen
zijn gering, pretarsale injecties geven in de
praktijk nog wel eens lokale hematoomvorming,
verdere passagere bijwerkingen die voorkomen:
ptosis (2.8 tot 12 %), lichte spierzwakte gelaat
(8.5%), en diplopie (1 tot 13%). Ook kunnen patiënten
tijdelijk klagen over wazig zien na de injecties,
dit kan berusten op een accommodatiestoornis (parasympathisch)
of frequenter op lichte een parese van de OOR
en hierdoor verminderde afvoer van traanvocht.
Opvallend is dat een enkele patiënt niet
goed reageert op injectie met 1 van de 2 merken,
maar wel een goede respons heeft op injectie met
het andere preparaat. Bij matig resultaat kan
switchen van preparaat worden overwogen. Interessant
is dat bij patiënten met BP die ook chronische
hoofdpijn hebben deze na BtA behandeling significant
verbetert of verdwijnt gedurende enkele maanden
na injectie. Andersom komt bij behandeling sporadisch
als bijwerking een passagere hevige uni- of bilaterale
frontale hoofdpijn voor. Gezien de relatief lage
gebruikte dosis BtA ontstaat zelden immunoresistentie
tijdens de behandeling van BP, bij BP zijn ook
geen antilichamen tegen BtA aantoonbaar.
Therapie
Cervicale dystonie
Een behandelschema voor BtA injecties voor CD
wordt overwegend op grond van klinische kenmerken
opgesteld. Hierbij moet worden gekeken naar de
stand in rust en bij houdingsverandering, hypertrofie
van halsspieren en palpatie van hypertone spieren.
Probleem hierbij is dat de nek meer spieren bevat
dan vrijheidsgraden van beweging. Bij normalen
kan het patroon van spieraanspanning niet worden
voorspeld door de stand van het hoofd. Er wordt
vooral gelet op een aantal spieren die vaak aangedaan
zijn en ook goed toegankelijk zijn voor eventuele
injectie. Hoewel de stand van het hoofd door 26
spierparen wordt bepaald, zijn vooral toegankelijk
voor injectie de volgende spieren; m.sternocleidomastoideus,
m.splenius capitis, m.trapezius, m.semispinalis,
, m. levator scapulae, m.scalenus complex en de
diepe m.post-vertrebralis of diepe paravertebrale
spieren. Aan de hand van een dergelijke klinische
analyse kan bij de meeste patiënten een plan
voor de te injecteren spieren worden opgesteld.
Erg belangrijk is om te letten op het verschil
in hoofd deviatie tussen staan, zitten en liggen,
omdat hierbij verschillende patronen kunnen ontstaan.
Sommige dystone spieren worden pas actief in liggende
of staande houding.
De stand afwijkingen van het hoofd en nek zijn
bij cervicale dystonie (CD) of spasmodische torticollis
onder te verdelen naar de overheersende vector
in de maximaal afwijkende stand naar rotatoire
torticollis, laterocollis, retrocollis, antecollis
en translatie in het sagitale vlak. Combinatie
van vectoren in één patiënt
is mogelijk. De mate van voorkomen varieert in
verschillende studies. Meest frequent is het overwegend
rotatoire type (50%), bij 10-15 % is er ook sprake
van een hevige tremor en bij 10-15% een complexe
wisselende torticollis.
Waarschijnlijk is het patroon van activatie bij
de meeste patiënten in werkelijkheid veel
complexer. Eén enkelvoudige dystone vector
voor de deviatie komt voor bij 45-89 % van CD,
een aanzienlijk deel van de patiënten hebben
een complexer beeld met een deviatie volgens multidimensionele
vectoren.
Velen menen dat een EMG analyse van te voren
of het meten van het naald EMG tijdens de injectie
tot een betere selectie van dystone spieren leidt.
Het registreren van meerdere kanalen naald-EMG
of eventueel oppervlakte-EMG, kan voor het identificeren
van dystone spieren informatief zijn. Als tegelijkertijd
homologe spierparen worden geregistreerd kan nagegaan
worden of er een uni-of bilaterale dystone activatie
van de spier is. Ook kan zo de synergie tussen
agonist en antagonist beoordeeld worden. Bij torticollis
wordt vaak een pathologische co-contractie gezien
van de antagonist. Meestal is de dystone spier
bij contralaterale beweging pathologisch is door
een gebrek aan reciproke inhibitie. Vaak wordt
echter in de antagonist van de dystone houding
ook dystone EMG activiteit gezien.
Relatief veel voorkomende patronen met behandelschema's
zijn in tekstboeken terug te vinden (Zie pag 181,
van het handboek van Moore & Naumann). Hieronder
het schema dat in ons ziekenhuis gebruikt wordt.
| Dystone stand |
Meest Aangedane Spieren |
| Rotatie torticollis |
m. splenius capitis ipsilateraal,
m. sternocleidomastoideus contralateraal
m. semipsinalis ipsilateraal
m. obilquus inferior ipsilateraal
|
| Laterocollis |
m.sternocleidomastoideus,
mm. scalenii, m.levator scapulae, m. splenius
captis en m. trapezius
allen ipsilateraal
|
| Retrocollis |
m. semispinalis bilateraal,
m. splenius capitis bilateraal
m. trapezius bilateraal,
diep paravertebraal bilateraal
|
| Anterocollis |
m. sternocleidomastoideus bilateraal,
m. scalenus anterior bilateraal, verder diepe
halsspieren.
|
| tremor |
Nee-schud m. splenius capitis
bilateraal
Ja-Schud m. splenius capitis bilateraal
m. sternocleidomastoideus bilateraal
|
In een groot aantal open en gecontroleerde studies
is het sterke therapeutisch effect van BtA injecties
bij CD aangetoond. Sommige grote series melden
een sterke verbetering van houding en functie
bij meer dan 90% van de patiënten. Opvallend
genoeg reageren de begeleidende nekpijnklachten
die vaak bij CD voorkomen ook sterk en snel op
BtA injecties (bij 93%). Ervaringsfeit is dat
patiënten met CD die frequent migraine hebben
of chronische hoofdpijn veelal ook veel minder
hoofdpijn klachten hebben in de maanden na de
BtA injecties. Dit is recent in een open label
studie bevestigd. Meest voorkomende bijwerkingen
van BtA injecties zijn pijn, spierzwakte van de
schouder en het meest hinderlijk: dysfagie (bij
14%). Begin van een therapeutisch effect ontstaat
gemiddeld 1-2 weken na injectie, met een duur
van maximaal effect van 12-18 weken. In de praktijk
hebben de meeste patiënten na 3 maanden een
herhalingsbehandeling nodig. Er blijkt uit de
literatuur een trend die aangeeft dat Dysport
gemiddeld een langere werkingsduur heeft, aan
de andere kant worden bij Dysport ook gemiddeld
iets meer bijwerkingen gemeld dan bij Botox. Voor
BtA therapie bij CD blijkt er een dosisafhankelijk
effect, hoe hoger de dosis hoe sterker de verbetering,
maar de kans op bijwerkingen neemt ook toe. Gemiddelde
gebruikte doseringen uit verschillende trials
in de literatuur zijn voor Botox 188MU (range
50 tot 280U) en voor Dysport 577 MU (250 tot 1000MU).
De consensus in Nederland is dat het EMG bij de
toediening van BtA is voor CD tot betere lokalisatie
van de dystone spieren leidt en derhalve tot betere
resultaten leidt. In Nederland zijn de gebruikte
doseringen hierdoor waarschijnlijk lager dan in
de VS, in onze kliniek is voor CD gebruikelijk
75-175 MU Botox. Studies met vergelijkingen tussen
klinisch onderzoek door ervaren onderzoekers en
naald EMG analyse lieten zien dat het EMG een
groot aantal spieren als dystoon kan detecteren
die klinisch niet dystoon zijn (40%-65 %) en dat
andersom klinisch dystone spieren volgens het
EMG soms juist rustig zijn (25-27%). Het EMG is
vooral van belang bij wat dieper gelegen spieren
zoals het m. scalenus complex, de m. semispinalis
en m. splenius die bij iets adipeuzere patiënten
niet altijd goed te palperen zijn. Bovendien kunnen
te behandelen spieren bij follow up behandeling
inmiddels door BtA atrofisch geworden zijn en
hierdoor moeilijk door palpatie te lokaliseren.
In een EMG studie van Speelman et al. bleek dat
injecties op grond van klinische palpatie alleen
in 17 % van de injecties de targetspier misten.
Bij injecties van halsspieren lateraal of aan
de voorzijde geeft exacte lokalisatie via het
EMG ook minder kans op diffusie naar de slikspieren,
vooral injecties in de m.sternocleidomastoideus
worden geassocieerd met kans op ontstaan van dysfagie,
deze spier kan het beste in het bovenste 3e deel
worden aangeprikt.. Daarnaast worden er met EMG
in dystone halsspieren per spier verspreid vleksgewijs
rustige en dystone partijen gevonden, de spieren
zijn niet uniform dystoon. Met het EMG kan de
injectie gericht worden op de dystone gedeeltes.
Er zijn aanwijzingen dat de uitkomst van CD dystonie
beter is indien Botuline op meerdere plaatsen
in een spier wordt geïnjecteerd, dit geldt
vooral voor grote spieren. Verder geeft multi-point
injectie minder kans op diffusie buiten de spier
dan single-point injectie. Er zijn dus sterke
aanwijzingen dat gebruik van EMG bij injectie
tot betere resultaten leidt. Keerzijde is dat
injectie onder EMG iets langer duurt en voor de
patiënt onaangenamer is.
Voor de toediening BtA zijn er commercieel verkrijgbare
injectienaalden die uitgevoerd zijn als een disposable
monopolaire teflon coated EMG naald. De dikte
van de naald varieert van 24 tot 30 G. De allerdunste
maat is weinig pijnlijk en ook goed geschikt voor
toediening in facialis spieren.
Een zeer klein deel ( < 4% ) van de patiënten
reageert vanaf de eerste BtA injecties niet op
behandeling. We spreken dan van primaire non-responders.
Oorzaken hiervoor kunnen zijn een andere etiologie
voor torticollis dan dystonie zoals post-traumatische
of orthopedische torticollis of congenitale fibrose
van spieren. Bepaalde vormen van CD zoals anterocollis
zijn minder toegankelijk voor BtA injecties. Mogelijk
is er soms bij patiënten sprake van een primaire
immuno-resistentie, dit is echter nooit aangetoond.
Sommige patiënten gaan in de loop van de
tijd onvoldoende reageren na initieel succesvolle
BtA injecties. We spreken dan van secundaire non-responders.
Oorzaak hiervoor kan zijn een verkeerde injectietechniek
met onjuiste lokalisatie van de injecties. Een
andere factor bij verminderde respons kan zijn
dat in de loop van de tijd het spierpatroon bij
dystonie zich wijzigt. Voorts is gebleken dat
patiënten met cervicale dystonie in tegenstelling
tot gezonden tijdens een constante positie van
de nek soms spontane veranderingen in spierpatroon
te hebben. Het zou dus kunnen dat bij BtA injectie
niet alle actieve spieren worden geïnjecteerd
indien het EMG te kortdurend wordt geregistreerd.
Een klein deel van patiënten met CD (~5%)
ontwikkelt in de loop van de tijd een immuno-resistentie
tegen BtA op grond van neutraliserende antilichamen.
Immuno-resistentie is aantoonbaar met een dieronvriendelijke
Mouse Protection Assay, die in ons land niet gebruikt
wordt. Praktischer zijn een aantal klinische functietests.
Bij verdenking op resistentie kan een proefdosis
BtA in de m. frontalis of m. extensor digitorum
brevis worden geïnjecteerd. Een naald-EMG
van de ingespoten spier kan de werkzaamheid van
Botuline vaststellen; Botuline geeft denervatieactiviteit
na 3 weken. De spieractiepotentiaal na zenuwstimulatie
van de m. extensor digitorum brevis die, 1-2 dagen
na injectie van 10 IE Botox, bij een normale gevoeligheid
voor Botuline met 70-90% daalt, kan ook uitsluitsel
geven. Informatief kan ook zijn de unilateral
brow test (UBI) waarbij na injectie van BtA in
de rechter wenkbrauw (m. corrugator/procerus)
de immuno-resistente patiënt bilateraal kan
blijven fronsen, terwijl de BtA responsieve patiënt
asymmetrisch slechts met de linker wenkbrauw fronst.
Indien immuno-resistentie is vastgesteld zijn
er de volgende mogelijkheden. Na staken van BtA
injecties voor een langere tijd (gemiddeld 30
maanden) kan een deel van de patiënten weer
gevoelig kan worden voor BtA. Ook kan bij sommige
patiënten met partiële resistentie de
BtA de dosering veilig in sterk mate kan worden
verhoogd (tot 1500 MU Dysport per spier) om zo
enige klinisch resultaat te bereiken. Vooralsnog
lijkt dit een onpraktische en erg dure methode.
De meeste patiënten met immuno-resistentie
voor Botox zijn ook kruisresistent voor Dysport
en vice versa, het heeft dus geen zin om van merk
te switchen. Zinvoller zou het zijn om een poging
te wagen met het beschikbare Botuline B (Myobloc)
Patiënten resistent voor BtA blijken echter
veelal ook snel resistent te worden voor het type
B. Ook in onze ervaring geeft Myobloc bij BtA
resistente patiënten weinig resultaat. Om
resistentie te voorkomen wordt aanbevolen niet
met kortere tussenpozen dan 2,5 tot 3 maanden
te injecteren en om de dosis zo laag mogelijk
te houden: interval en dosis zijn de belangrijkste
risicofactoren voor het ontwikkelen van immuniteit.
Opvallend is dat de BtA resistentie meestal al
vrij snel na gemiddeld 5 behandelingen optreedt.
Na langere tijd, na 14 injectiesessies debuteert
echter haast nooit meer een resistentie. Bij een
langdurige goede respons op BtA is men dus "veilig"
voort immuno-resistentie.
|
Schrijfkramp
De uitbreiding van de dystonie kan bij schrijfkramp
goed beoordeeld worden door klinische observatie
tijdens schrijven, ook tijdens gebruik van
de contralaterale asymptomatische hand.
Voor moeilijke gevallen kan polygrafie van
naald EMG van diverse onderarmspieren aanvullende
informatie geven. De registratie en beoordeling
hiervan lijkt vooral voorbehouden aan gespecialiseerde
centra. De dosering van de Botuline bij
schrijfkramp is kritiek; in de aangedane
spieren kan makkelijk een overdosering optreden.
Naburige spieren die niet behandeld behoeven
te worden, kunnen ook paretisch worden,
hetzij door foutieve injectie, hetzij door
diffusie naar de omgeving. Dergelijke bijwerkingen
kunnen bij schrijfkramp soms nog wel acceptabel
zijn, maar bij dystonie bij musici is dit
erg belemmerend voor het functioneren.
Gezien de complexe anatomie en de grote
kans op ongewenste parese van goed werkende
spieren is bij schrijfkramp EMG lokalisatie
van onderarm spieren altijd een vereiste.
Het is echter gebleken dat lokalisatie via
naald EMG alleen niet voldoende betrouwbaar
is voor kleine spieren, omdat dystone patiënten
moeilijk selectief individuele fascikels
kunnen aanspannen. Voor een nauwkeurige
toediening in individuele fascikels van
vingerbuigers of -strekkers is, de methode
met elektrostimulatie via de EMG naaldpunt
te prefereren. Zo kan gezocht worden tot
een twitch van de betoogde spier wordt gezien.
Deze procedure vergt enige vaardigheid en
veel tijd. Vaak aangedane spieren zijn de
m. flexor pollicus longus en de m. extensor
digitorum communis. Deze laatstgenoemde
spier is erg gevoelig voor Botuline waardoor
al bij lage doses Botuline langdurige paresen
kunnen ontstaan. Ook bij gebruik van EMG
lokalisatie heeft ongeveer 60 % van de met
Botuline behandelde patiënten parese
van andere spieren dan waar de injecties
op gericht waren. Waarschijnlijk komt dit
door diffusie van Botuline naar nabij gelegen
spieren. Hierbij worden de volgende patronen
veel gezien: parese van fascikels van de
m. flexor digitorum profundus na injectie
van de m. flexor digitorum superficialis
en van de m. extensor digitorum communis
na injectie van de m. extensor carpi radialis.
Botuline injecties voor dystonie bij musici
geven een verbetering bij 49-57% van de
behandelde patiënten maar de bijwerkingen
in de vorm van ongewenste spierzwakte of
controle kunnen zeer hinderlijk zijn voor
het bespelen van het instrument. Mogelijk
zijn BtA injecties vooral geschikt voor
musici die een instrument bespelen waarbij
de controle voor laterale vingerbewegingen
in de aangedane hand minder belangrijk is
zoals bij houten blaasinstrumenten, de rechterhand
bij de gitaar en sommige keyboards.
|
Literatuur
-Cervical dystonia and botulinum treatment: is
electromyographic guidance necessary? Speelman
JD, Brans JW. Movement Disorders 1995: 10; 802
-In vivo analysis of end-plate noise of human
extensor digitorum brevis muscles after intramuscullary
injected botulinum toxin type A. Putten, van MJAM,
Padberg M, Tavy DLJ. Muscle & Nerve 2002:
26; 784-790.
-Handbook of Botulinum Toxin treatment. Eds:
Moore P, Naumann M. Blackwell Science 2003 2nd
edition.
-Treatment of Cervical Dystonia with Botulinum
Toxin. Jankovic J. Movement Disorders 2004: 8;
S1109-115
-Botulinum toxin type A therapy for cervical
dystonia. Costa J, Espirito-Santo C, Borges A,
Ferreira JJ, Coelho M, Moore P, Sampaio C. Cochrane
Database Syst Rev. 2005 Jan 25;(1):CD003633.
-Botulinum toxin type A therapy for blepharospasm.
Costa J, Espirito-Santo C, Borges A, Ferreira
JJ, Coelho M, Moore P, Sampaio C. Cochrane Database
Syst Rev. 2005 Jan 25;(1):CD004900.
|