|
|
| Behandeling
>> Speekselvloed |
|
|
Speekselvloed, hypersalivatie
|
|
Fysiologie
De gemiddelde speeksel productie van volwassen
bedraagt tot 1000-1500 cc per dag. Hiervan wordt
40-45 % door de glandulae parotis en submandibularis
verzorgd, en 5% door de glandula. sublingualis
De glandula parotis produceert het meeste speeksel
tijdens kauwen, terwijl de glandula submandibularis
waarschijnlijk voor een meer continue salivatie
zorg draagt en in rust 60-70 % van de speekselproductie
verzorgt. Volgens recente inzichten blijkt echter
in rust ook een aanzienlijke flow vanuit de glandula
parotis (0.15 ml/min) te bestaan, terwijl de flow
vanuit de submandibularis en sublingualis 0.32
ml/min bedraagt Parotis sereuze speekselklier,
de de submandibularis is gemengd sereus-muceus
en de sublingualis overwegend muceus.
Parasympathische prikkeling van de zweetklieren
leidt tot secretie , van sereus, speeksel in de
parotis in de submandibularis, met speeksel dat
waterig is en overwegend elektrolyten bevat, terwijl
door sympaticus prikkeling de submandibularis
dik slijmerig speeksel met een hoog gehalte aan
organische stoffen produceert.
Preganglionaire neuronen van sympathische en parasympathische
zenuwstelsel zijn cholinerg, terwijl de postganglionaire
neuronen van de parasympathicus cholinerg functioneren.
|
|
|
|
Voorkomen
Hypersalivatie of saliorrhoe komt bij Morbus Parkinson
bij 70-78 %, bij ALS bij 30 % van de gevallen.
Verder is het bij cerebral palsy (CP) in 30 %
hinderlijk zijns. Waarschijnlijk ontstaat het
kwijlen niet zozeer door een toegenomen speeksel
productie maar veeleerder door een verminderde
slikreflex, gestoorde tong of mondmotoriek. Het
speeksel dat zich in de mondholte verzamelt kan
leiden tot speekselvloed aan de lippen: anterior
drooling of speekselvloed naar de achterste keelholte:
posterior drooling. Kwijlen kan tot een aanzienlijke
sociale en emotionele handicap leiden, door de
onesthetische aanblik en de geur. Tevens kan een
extra belasting gevormd worden door de noodzaak
tot veelvuldig verschonen van het gelaat en kleding
|
|
Therapie
Therapie voor hypersalivatie bestond in het verleden
uit orale anti-cholinergica of via een patch met
scopolamine. Het gebruik hiervan wordt beperkt
door de bijwerkingen (orale anti-cholinergica
tot 69%). In ernstige gevallen kwam bestraling
of chirurgische excisie in aanmerking met als
bezwaar de kans op littekenvorming of een te geringe
speekselproductie.
Een therapeutisch effect van BtA injecties bij
hypersalivatie is inmiddels in een aantal studies
aangetoond. De meeste studies zijn open label,
zie tabel 1.
| Auteur |
Jaar |
Design |
Klier |
Etiologie |
N |
Dosis totaal |
Effect |
| Porta |
2000 |
Open |
Parotis echoSubma |
ALS PD |
11 |
80 MU Botox |
5-8 mnd |
| Pal |
2000 |
Open |
Parotis |
PD |
9 |
30 MU |
6/9 |
| Friedman |
2001 |
Controlled |
Parotis |
PD |
11 |
10 MU |
9/11 |
| Jongerius |
2001 |
Open |
Subm echo |
CP |
15 |
30-50 MU |
100 % |
| Scheuer |
2003 |
Open |
Parotis echo |
CP |
9 |
20-50 MU |
4/9 |
| Maik |
2003 |
Open |
Par Subm echo |
Neurodeg CVA |
13 |
50-65 |
100 % 3 mnd |
| Sharon |
2003 |
Open |
Par |
CP echo |
9 |
20-50 |
3/9 |
| Maik |
2004 |
Open |
Par Subm echo |
CVA Neurodeg |
33 |
32.5 MU |
79% 3-4 mnd |
| Jongerius |
2005 |
Controlled |
Subm echo |
CP |
45 |
30-50 |
50-61 % 6 mnd |
| Dogu |
2004 |
Controlled |
Par echo |
PD |
15 |
30 |
4 mnd |
De outcome in studies wordt meestal subjectief
beoordeeld aan de hand van rating scales die door
de patiënt of verzorgers worden ingevuld.
Hierbij wordt de ernst (1-5) en de frequentie
van kwijlen 1-5) uitgedrukt. Objectievere methodes
om speekselproductie te meten bestaan uit, observatie
van de patiënt gedurende langere periode
door een onderzoeker , periodieke scintigrafie
van de klieren, of meer praktisch het bepalen
van gewichtstoename van wattenrolletjes die gedurende
enkele minuten voor de in de mond worden gehouden.
Aanvankelijk werd meestal de parotis beiderzijds
geïnjecteerd op 1-2 locaties per kant. Meeste
onderzoekers combineren inmiddels injecties van
de submandibularis met de parotis. Jongerius behandelde
bij kinderen met CP alleen de submandibularis
met tevens goede en lang aanhoudende resultaten.
|
|
Anatomie en injectie techniek
De glandula parotis kan worden onderverdeeld in
een diep en oppervlakkige deel. Voor injectie
met BtA is het waarschijnlijk verstandig alleen
het oppervlakkige deel aan te prikken omdat bij
diepere punctie het risico van beschadiging van
de n. facialis of arteria carotis externa aanwezig
is. Meestal is de parotis goed te palperen tussen
de processus mastoideus en de ramus ascendens
van de mandibula. Waarschijnlijk wordt de parotis
nauwkeuriger en veiliger aangeprikt onder via
echografische lokalisatie. Risico van blind aanprikken
zou kunnen zijn beschadiging van de facialis,
carotis externa of andere onderliggend de bloedvaten.
Er is ook een risico van diffusie naar omringende
spieren , zoals de m. masseter, en de pars posterior
van de m. digastricus.hetgeen tot slik of kauwstoornissen
zou kunnen leiden. Echografisch kan de locatie
van de n. facialis tussen het mastoid en de ramus
mandibula worden vastgesteld en kan deze vermeden
worden. Voor de glandula submandibularis geldt
dat deze niet altijd kan worden gepalpeerd. Het
betreft een vrij kleine klier met complexe omringende
anatomie, ingebed tussen de mandibula, en aan
de bovenzijde begrensd door de m. pterygoideus
medialis en naar mediaal en inferieur toe door
de m mylohyoideus en hyoglossus. en ventraal door
het anterieure deel van de m. digastricus. Naar
onderen is er contact met de het posterieure deel
van m. digastricus. Verder heeft de klier dorsaal
contact met de arteria facialis, mediaal van de
klier loopt de arteria submentalis. Lateraal loopt
de vena facialis oppervlakkig over de klier. Om
beschadiging van arteriën , of diffusie naar
omringende spieren te voorkomen verdient echografische
punctie van deze klier de voorkeur. Hiervoor worden
7.5 tot 12 mHz ECHO transducers gebruikt. Jongerius
beschreef een techniek voor punctie van de glandula
submandibularis onder echo geleide waarbij met
een 25 G echo naald, vanuit ventromediaal langs
de longitudinale as van de transducer de klier
op 2-3 locaties wordt aangeprikt. Hierbij wordt
echografisch de positie van de naald gecontroleerd,
waarna er wordt geïnjecteerd met in totaal
1- 1,5 cc vloeistof (15-25 MU Botox ) per kant
De echografie biedt tevens een controle op adequate
diffusie van de BtA door de klier heen. Op grond
van in vitro studies geeft injectie van een volume
van 1-1,5 cc per klier een adequate diffusie van
vloeistof in de spier. Voor parotis worden meestal
1-3 injecties aanbevolen in de bovenste en onderste
pool of 1 injectie in de bulk van de parotis achter
de kaakhoek en 1 injectie in het gedeelte dat
over de masseter ligt. Voor de submandibularis
worden 1-3 injecties per kant aangeraden, een
groter aantal injecties geeft wellicht een risico
op structurele beschadiging van de klier.
 |
Meeste
recente studies gebruiken echografie bij de injecties.
In 1 studie werd injectie van de l parotis met
en zonder echografie vergeleken, hierbij bleek
dat injectie onder echografie tot significant
sterkere objectieve verbetering leidde, echter
ook injecties zonder echografie waren effectief.
)
|
|
Dosering
Opvallend genoeg zijn alleen data over Botox bekend
er zijn geen studies gepubliceerd over de toepassing
van Dysport bij hypersalivatie. (tabel 1) Wel
moet bedacht worden dat de werkzaamheid van BtA
bij Parkinson en ALS nog maar door een beperkt
aantal, kleine open studies word ondersteund.
Voor de indicatie CP bij kinderen is er nu een
groot gecontroleerd onderzoek van Jongerius beschikbaar.
Gebruikte doseringen inde literatuur variëren
van 10-60 MU Botox voor beide kanten, bij geïsoleerde
behandeling van parotis of submandibularis tot
50 MU en bij gecombineerde behandeling tot 60
MU. De verdunning verschilt tussen studies. Volgens
de methode van Jongerius wordt totaal 1- 1,5 cc
vloeistof ingespoten per zijde waarin opgelost
15-25 MU Botox . Dit bekent een oplossing van
1 ampul Botox 100MU op 4 a 6 cc fysiologisch zout.
|
|
Effecten
Van BtA injecties in de glandula submandibularis
zijn nog geen complicaties gemeld. Er is een geval
gemeld van bij een patiënt met ALS met een
kaakluxatie na BtA injecties in de parotis Waarschijnlijk
is hierbij door diffusie of verkeerd aanprikken,
een parese van de masseter ontstaan Wellicht is
het risico op parese van omringende bulbaire spieren
bij ALS door BtA hoger, en lijkt het raadzaam
bij deze indicatie strikt onder echografie te
injecteren met ee zo laag mogelijke dosis .
Lichtere bijwerkingen van BtA behandeling van
speekselklieren variëren van geen in de meeste
series tot 5%; sporadisch griepachtige verschijnselen,
lichte droge mond. lichte slikstoornissen
Een eerste respons is na 1-4 dagen merkbaar, het
sterkste effect is zichtbaar bij 1-2 weken. Het
therapeutische effect houdt aan tot 7-8 weken
met daarna een geleidelijke stijging van speekselproductie
naar 16 weken . Een studie vond na Botox injecties
quantitatief een gemiddelde afname in speekselflow
voor de submandibularis van 42,4 %.
|
|
Richtlijnen voor de praktijk
Naar onze ervaring en die van experts kan voor
behandeling van hypersalivatie bij Parkinson en
ALS begonnen worden met injecties van de parotis
. Hierbij is het gebruik van echografie in eerste
aanleg niet strikt noodzakelijk. Is de echografie
niet makkelijk beschikbaar dan kan injectie zonder
echografie op een veilige manier tot acceptabele
resultaten leiden. Als de parotis palpabel is
tussen de kaakhoek en het mastoid, dan kan voorzichtig
met een lage dosis (10-20 MU Botox per kant, in
oplossing van 100 MU Botox per 2 of 4 cc NaCl
0,9%) met een fijne weinig traumatische 30 G naald,
de parotis op 3-4 locaties oppervlakkig geïnjecteerd
worden. Wij gebruiken hiervoor een fijne 30 g
EMG BtA injectienaald. Hierdoor kan gecontroleerd
worden dat er geen onbedoelde injecties in spierweefsel
(i.e.) masseter worden geplaatst. Dus hierbij
wordt het EMG juist gebruikt om te voorkomen dat
BtA in de spieren terecht komt. Bij een oppervlakkige
prik techniek en gebruik van een fijne naald,
is er weinig kans op beschadiging van grote vaat-
of zenuwstructuren. Bij onvoldoende resultaat
kan in tweede aanleg de behandeling met een iets
hogere dosering worden herhaald. Deze methode
wordt ook aanbevolen in het Handboek van Moore
en Naumann, deze auteurs beschrijven als enige
een therapeutisch effect van Dysport na injectie
van 40-60 MU Dysport per in de Parotis, oplossing
500 MU per 22 NaCl 0,9 % Op pragmatische gronden
is het raadzaam bij de behandeling van ALS patiënten
met salivatie een zo laag mogelijke dosis (bv
10 MU Botox per kant) te kiezen. Bij onvoldoende
resultaat kan in tweede aanleg de glandula submandibularis
en eventueel parotis onder echografie worden geïnjecteerd.
Hiervoor is wel enige ervaring vereist.
|
© door DLJ Tavy (deze
tekst is oorspronkelijk voor de Nascholingscursus KNF
dagen 2005 van de NVKNF.)
|
|