Inleiding
Definitie van beroerte: plots optredende verschijnselen
van een focale stoornis in de hersenen waarvoor
geen andere oorzaak aanwezig is dan een vasculaire
stoornis. Deze definitie is gemodificeerd t.o.v.
de door de WHO opgestelde. Deze nam ook een
tijdsfactor van 24 uur op, waardoor een stoornis
zoals bovenbeschreven die binnen 24 uur herstelde
geen beroerte maar een transient ischemic attack"
(TIA) genoemd werd. In feite duren de meeste
TIA's korter dan 0.5 uur. Ten grondslag aan
een TIA liggen dezelfde oorzaken als voor een
beroerte. Tevens zijn de diagnostiek en secundaire
preventie gelijk. De arbitraire grens van 24
uur leidde in het verleden verder tot de ongewenste
``bijwerking'' dat er vaak werd afgewacht waarbij
de mogelijkheid tot vroegtijdige interventie
werd weggenomen. Aan het begrip beroerte wordt
de voorkeur gegeven boven cerebrovasculair accident
(CVA) aangezien dit laatste teveel een medische
diagnose impliceert wat geenszins het geval
is. Beroerte geeft meer dan het begrip CVA aan
dat de diagnose nog gesteld moet worden. Om
tot een uiteindelijke diagnose met eventuele
therapie te komen van een beroerte is classificatie
noodzakelijk. Bij de classificatie van beroerte
zijn met name 1. de aard (ischemisch, bloedig),
2. de lokalisatie (stroomgebied) en 3. de pathogenese
van belang.
Anamnese en lichamelijk
onderzoek
In het acute stadium noodzakelijk om vast te
stellen dat er inderdaad sprake is van een beroerte.
Tevens wordt aandacht besteed aan de vitale
functies. Het bewustzijn wordt beoordeeld middels
de Glasgow Coma Score (GCS) en bewaakt. In de
anamnese zal naast de speciële anamnese
vasculaire risicofactoren en voorgeschiedenis
moeten worden uitgevraagd en reeds eerder verrichte
diagnostiek en therapie.
Vasculaire Voorgeschiedenis
Vraag naar de relevante vasculaire voorgeschiedenis
maak onderscheid in vasculaire risicofactoren
en vasculaire orgaanschade. Suggesties staan
in de Tabellen 2.1 en 2.2.
Tabel 2.1: Risikofactoren m.b.t. ontwikkelen
van een beroerte.
Bewezen |
Zeer waarschijnlijk |
| leeftijd |
orale anticonceptiva |
| geslacht |
dieet |
| roken |
adipositas |
| alcoholgebruik |
beperkte lichamelijke
activiteit |
| hypertensie |
|
| diabetes |
|
| hypercholesterolemie;
hyperlipidemie |
|
| migraine met
aura |
|
| vasculair
belaste familieanamnese |
|
Tabel 2.2: Relevante vasculaire orgaanschade
bij patiënten met een beroerte/TIA.
| 1.
Cerebraal: |
ischemie in
retinale (amaurosis fugax), carotis of vertebrobasilaire
stroomgebied en/of carotis endarteriëctomie
(CEA) of extracraniële-intracraniële
bypass procedures |
| 2.
Cardiaal: |
congenitale
hartdefecten, ritmestoornissen, myocardinfarcten,
angina pectoris en/of cardiale revascularisatieprocedures |
| 3.
Aorta-iliacaal: |
claudicatieklachten,
potentie-stoornissen, broekprothese-operaties,
endovasculaire stent plaatsingen en/of aorta-iliacale
of femorale bypass procedures |
Naast het neurologisch onderzoek dient er bij
het algemeen lichamelijk onderzoek aandacht
te worden geschonken aan:
-
bloeddruk linker- en rechterarm;
-
souffles hart en perifeer
vaatstelsel;
-
pulsaties perifeer vaatstelsel;
-
tekenen van een aneurysma
aortae abdominalis;
-
retinale emboliën;
-
tekenen van verhoogd cholesterol
(peesxanthomen, xanthelasmata en arcus lipoïdes
voor 40ste jaar).
Aanvullend onderzoek in
het acute stadium
Tabel 2.3: Aanvullend onderzoek in het acute
stadium van een beroerte.
1.
Laboratorium onderzoek |
Hb,
Ht, MCV, L, Tr., BSE (of CRP), Na, K, Kreat.,
glucose, eiwit, APTT, PTT (INR), ASAT, ALAT,
AF, GGT, LDH, (cholesterol en triglyceriden
(a) |
| 2.
Elektrocardiogram (ECG) |
hartritmestoornissen
(atriumfibrilleren (AF)), recente of oude
myocardischemie, linkerventrikelhypertrofie
(LVH) |
| 3.
CT-hersenen (b) |
ter
uitsluiting bloeding, tevens ter informatie
t.a.v. oedeem en/of massa-effect |
a) Indien CVA,
binnen 48 uur bepalen; anders na 12 weken;
b) Een CT-hersenen
dient met spoed te worden verricht bij een patient
i) die voldoet aan de criteria voor cerebrale
trombolyse (zie verder); ii) die een verlaagd
bewustzijn heeft; iii) die antistolling gebruikt;
iv) bij wie een lokalisatie in de achterste
schedelgroeve vermoed wordt. Bij voorbijgaande
verschijnselen ontstaat de verdenking op ischemie;
CT-hersenen dient zo snel mogelijk, het liefst
binnen een week te worden verricht. In alle
overige gevallen dient zo snel mogelijk, het
liefst binnen 24 uur na uitval, een CT-hersenen
te worden verricht.
Ischemie
Cerebrale trombolyse
Tijdsdoelstellingen
Als de patiënt in principe in aanmerking
komt voor cerebrale trombolyse gelden de tijdsdoelstellingen
volgens tabel 2.4.Tabel
2.4: Tijdscriteria cerebrale thrombolyse.
| <
10 min. |
evaluatie
patiënt door arts-assistent (elke patiënt
met beroerte) |
| <
30min. |
CT-hersenen |
| <
45 min. |
neuroloog
in huis |
| <
45 min. |
uitslag
CT-hersenen |
| <
45 min. |
uitslag
spoedlab |
| <
60 min. |
start
rtPA toediening |
Behandelingsprotocol met
rtPA
Tabel 2.5: Inclusiecriteria voor behandeling
met rTPA
| - |
Acuut
ischemisch herseninfarct, waarbij de behandeling
binnen drie uur na het ontstaan van de verschijnselen
moet worden begonnen. Echter, hoe eerder
wordt begonnen met de behandeling hoe beter,
maar in ieder geval binnen drie uur. Als
het tijdstip van ontstaan van de verschijnselen
niet betrouwbaar is vast te stellen of als
de verschijnselen bemerkt zijn bij ontwaken,
kan de patiënt dus niet behandeld worden.
Er zijn geen leeftijdsgrenzen, maar patiënten
jonger dan 18 jaar zijn nooit systematisch
onderzocht. Voorzichtigheid lijkt geboden
bij patiënten boven de 80 jaar. |
| - |
Alle
patiënten die in aanmerking lijken
te komen voor trombolyse dienen met spoed
een CT-hersenen te krijgen. De CT-hersenen
dient normaal te zijn of tekenen van recente
infarcering te tonen niet groter dan 1/3
deel van het arterie cerebri media (ACM)
gebied. |
| - |
De
voor- en nadelen van trombolyse moeten besproken
worden met de patiënt en/of familie. |
Tabel 2.6: Exclusiecriteria voor behandeling
met rTPA.
| CT
criteria |
bloed
of een bloeding |
| |
tekenen van een recent groot infarct (>
1/3 van ACM gebied) (zwelling hersenweefsel,
geoblitereerde corticale sulci, intensiteitvermindering
van het hersenweefsel met vervaging van
grijswit differentiatie (b.v. hypodensiteit
van de nucleus lentiformis of het verdwijnen
van het onderscheid nucleus lentiformis
en capsula interna, en verdwenen `insular
ribbon')). |
| |
matig
tot ernstige leukoaraiose en/of multipele
lacunaire infarcten. |
| |
|
| Neurologische
uitval |
ernstige
neurologische uitval (b.v. combinatie afasie
+ hemianopsie + hemiplegie, dwangstand en
hemiplegie) |
| |
coma;
oppassen bij gedaald bewustzijn (kan uiting
zijn van uitgebreide ischemie) |
| |
snel
herstel neurologische uitvalsverschijnselen |
| |
minimale
neurologische uitval zoals alleen ataxie,
geïsoleerd sensibiliteitsuitval, alleen
dysarthrie, etc. |
| |
|
| Bekende
bloedingsneiging |
gebruik van orale anticoagulantia of een
INR > 1.7 |
| |
gebruik
van heparine in de voorafgaande 48 uur en
een verlengde APTT |
| |
trombocyten
< 100 (10 9e/l) |
| |
bloeding
in de tractus gastrointestinalis of urogenitalis
in de afgelopen 21 dagen |
| |
beroerte (CVA) of een ernstig schedelhersenletsel
in de afgelopen drie maanden |
| |
een intracraniele bloeding in de voorgeschiedenis |
| |
grote
chirurgie in de afgelopen 14 dagen |
| |
recent
myocardinfarct |
| |
menstruatie
(!) |
| |
|
| Bloeddruk |
systolisch > 185 mmHg voor de behandeling
of |
| |
diastolische
bloeddruk < 110 mmHg. |
| |
Probeer
evt. de bloeddruk te verlagen (zie verder) |
| |
|
| Serum
glucose |
<
2.5 mmo1/L (50 mg/dl) of > 22 mmol/L
(400 mg/dl) |
| |
|
| Insult |
ten
tijde van het ontstaan van het infarct |
a) Het gebruik
van aspirine is geen absolute contra-indicatie.
In de NINDS rtPA Stroke Study gebruikte een
behoorlijk deel van de patiënten aspirine.
Er zijn geen duidelijke aanwijzingen dat aspirine
de kans op bloedingen vergroot.
Medicati
rtPA intraveneus in een dosering van 0.9 mg/kg
met een maximum van 90 mg, waarbij 10% van de
dosis wordt gegeven als bolus en de resterende
90% in 60 minuten via infuuspomp (perfusor).
De intraveneuze toedieningsvorm van rtPA (alteplase,
Actilyse®) bestaat in twee doseringen: een
verpakking met 20 mg poeder en 20 ml solvens
en ?een met 50 mg poeder en 50 ml solvens. Bij
beide is er dus sprake van een dosering van
1 mg/ml.
Verdere behandeling en onderzoek
Spoed laboratorium onderzoek (cito aanvrager):
quicktijd, APTT, fibrinogeen, trombocyten, Hb,
Ht, bloedgroep Rhesus, irreg. antistoffen, glucose
Spoed ECG Elke patiënt die met rtPA wordt
behandeld, dient opgenomen te worden op de `Stroke
unit' (Medium Care) omdat er een 24-uur per
dag intensieve neurologische observatie nodig
is met cardiovasculaire monitoring: bedrust
eerste 24 uur. Controles (pols, bloeddruk, neurologische
toestand) eerste 24 uur:
- eerste 2 uur elke 15 min.
- gedurende 6 uur elke 30 min.
- gedurende 16 uur elk uur
- controles hierna in overleg met behandelend
neuroloog.
- temperatuur meten elke 4 uur.
- cardiale monitoring.
- zuurstof saturatiemeting.
- Controle CT na 24-48 uur.
Bloeddrukregulatie
Een goede regulatie van de bloeddruk tijdens
de behandeling met rtPA is belangrijk omdat
er aanwijzingen zijn dat een te hoge bloeddruk
een hogere kans geeft op bloeding terwijl een
te lage of een te sterk verlaagde bloeddruk
kan leiden tot een verergering van de ischemische
verschijnselen. Dus bij behandelen de bloeddruk
langzaam en niet te sterk laten dalen. De eerste
twee uur na het starten van de behandeling moet
de bloeddruk elke 15 minuten worden gemeten,
de volgende zes uren om de 30 minuten en de
volgende 16 uur elk uur.
Indien er een systolische bloeddruk is van >
180 mmHg of een diastolische bloeddruk van >
105 mmHg op twee meetmomenten (tussenpauze van
5 tot 10 minuten) dan moet de patient in overleg
met de internist behandeld worden met intraveneus
labetalol (Trandate®): bolus van 50-75 mg
(afhankelijk van lichaamsgewicht) en onderhoudsdosering
van 50 mg/uur (via perfusor). Tijdens behandeling
met labetalol moet de bloeddruk elke 15 minuten
worden gemeten vanwege het gevaar van hypotensie.
De eerste 24 uur zoveel mogelijk beperken van
arteriepuncties en centraal veneuze lijnen.
Tijdens het toedienen van rtPA en de eerste
30 minuten erna mag geen catheter a demeure
worden ingebracht. Bij voorkeur geen neussonde
inbrengen de eerste 24 uur na het starten van
de behandeling. De patient mag de eerste 24
uur na het begin van de behandeling geen heparine
of aspirine voorgeschreven krijgen. Bij behandeling
met een van deze middelen na 24 uur dient eerst
een CT scan gemaakt te worden ter uitsluiting
van een intracerebrale bloeding. Uiteraard dient
verdere behandeling van de patient plaats te
vinden volgens de Richtlijnen voor de behandeling
van patienten met een beroerte van de Nederlandse
Vereniging voor Neurologie.
Behandeling van bloedingcomplicaties
Bloedingcomplicaties zijn de meest gevreesde
complicaties na behandeling met rtPA. Onderscheiden
kunnen worden de bloedingcomplicaties in het
centrale zenuwstelsel en daarbuiten. Bij verdenking
op een bloeding van het centrale zenuwstelsel
moet met spoed een CT-scan van de hersenen worden
gemaakt. Voor de praktijk betekent dit dat bij
neurologische achteruitgang van de patiënt
na behandeling in veel gevallen dus een spoed
CT gemaakt moet worden. De verpleging moet ook
goed geïnstrueerd worden om elke achteruitgang
te melden. Bij verdenking op een bloedingcomplicatie
buiten het centrale zenuwstelsel dient afhankelijk
van de lokalisatie aanvullende diagnostiek verricht
te worden. Sommige bloedingen kunnen mechanisch
worden behandeld (b.v. na arteriële- of
venapunctie). Bij grote, potentiele levensbedreigende
bloedingen dienen de volgende maatregelen te
worden genomen:
1. Stop de toediening van rtPA.
2. Bepaling in het bloed van Hb, Ht, APTT, quicktijd,
trombocyten en fibrinogeen.
3. Overwegen chirurgisch ingrijpen (bij bloeding
van centraal zenuwstelsel overleg met neurochirurg
en bij andere bloedingen overleg met de desbetreffende
specialist), e.e.a. na correctie van de fibrinolytische
toestand.
4. Behandeling (niet wachten op uitslagen lab):
tranexaminezuur (Cyklokapron®): 1 gr (2
ampullen = 10 ml) i.v. in 5 min. (ampul 5 ml,
100 mg/ml) fibrinogeen (Haemocomplettan P®):
2 gr (2 ampullen = 100 ml) i.v. in 15 min. (ampul
1 gr/50 ml) simultaan via 2 lijnen 3 Fresh Frozen
Plasma (FFP) in 45 min. en 1 standaard trombocytenconcentraat
in 20 min.
5. op aanvraagformulier voor FFP en trombocyten
aangeven couperen ernstige trombolyticabloeding
en zo snel mogelijk telefonisch bestellen
6. Backup; dienstdoende hematoloog: via centrale
bloedtransfusiedienst: tst. 2614
Acute behandeling anders
dan cerebrale trombolyse
Indien de patiënt niet in aanmerking
komt voor cerebrale trombolyse en een intracerebraal
hematoom uitgesloten is, is de enige bewezen
behandeling de volgende, zie Tabel 2.7.
Tabel 2.7: Behandeling ischaemie anders dan
thrombolyse.
| - |
Alle
patiënten (tenzij overgevoelig) ontvangen
binnen 48 uur carbasalaatcalcium 200 mg
voor tenminste 14 dagen lang waarna zij
overgaan op secundaire profylaxe (zie verder).
Het is aangetoond dat de kans op overlijden
of zorgafhankelijkheid met 1.2% verlaagd
wordt. |
| - |
Uitzondering
vormt de groep patiënten die orale
anticoagulantia gebruiken. Deze dient te
worden gecontinueerd, tenzij er een groot
infarct bestaat (op klinische gronden en/of
CT). Controleer of de oorspronkelijke indicatie
voor anti-coagulantie correct is. |
| - |
Indien de patiënt overgevoelig is voor
carbasalaatcalcium dient direct met secundaire
profylaxe gestart te worden (zie verder). |
| - |
Bij een patiënt die ondanks bovenstaande
therapie toch achteruitgaat (progressive
stroke) kan na uitsluiten van hemorragische
transformatie hooggedoseerde nadroparine
(Fraxiparine®) worden toegediend (hoewel
niet bewezen). Dosering volgens bijlage. |
| - |
Bij een a. basilaristhrombose wordt direct
hooggedoseerde nadroparine (Fraxiparine®)
toegediend (hoewel niet bewezen). Dosering
volgens bijlage. |
Medicamenteuze hersenoedeem
reducerende therapien
Er is op grond van de huidige literatuur geen
bewijs dat mannitol, glycerol of dexamethason
de uitkomst op lange termijn beïnvloedt.
Medicamenteuze neuroprotectieve
therapie
Er is op grond van de huidige literatuur geen
indicatie voor neuroprotectieve medicamenten.
Operatieve therapie
Bij het `Maligne ACM-infarct' van de niet-dominante
hemisfeer bij een patiënt jonger dan 60
jaar en een infarct met veel oedeemvorming en
verplaatsing kan een hemicraniectomie worden
overwogen (experimentele therapie). Bij acute
cerebellaire infarcten gepaard gaande met hydrocephalus
kan ventrikeldrainage worden overwogen bij bewustzijnsdaling.
Bij onvoldoende verbetering kan suboccipitale
craniectomie worden overwogen als volgende stap.
Secundaire preventie: onderzoek
Hierbij dient het volgende onderzoek te worden
verricht cq. te worden overwogen.
Duplex-carotiden
Bij een (voorbijgaand) niet-invaliderend ischemisch
herseninfarct in het carotis stroomgebied of amaurosis
fugax (minder dan 6 maanden geleden) is in 33%
van de gevallen de oorzaak gelegen in een atheromateuze
stenose van de carotiden (meestal de a. carotis
interna). In deze gevallen is een duplex-carotiden
geïndiceerd. Op dit moment lopen twee studies
die onderzoeken of een CEA zinvol is bij een asymptomatische
stenose: Asymptomatic Carotid Artherosclerosis
Study (ACAS) en de Asymptomatic Carotid Surgery
Trial (ACST). Terughoudendheid lijkt gewenst bij
een asymptomatische stenose.
Cardiologisch consult
Elke patient onder de 45 jaar ondergaat in
principe een transoesophagale echocardiografie
(TEE) (zie ook `Young stroke'). Elke patiënt
bij wie een cardiale emboliebron (CEB) wordt vermoed
op grond van anamnese (b.v. recent myocardinfarct),
lichamelijk onderzoek (b.v. souffle) of ECG (b.v.
AF of LVH). AF is in principe een indicatie voor
behandeling met orale anticoagulantia. AF vormt
45% van cardiale emboliebronnen. Ongeveer 15-30%
van de TIA's en infarcten wordt veroorzaakt door
een CEB. Let op: bij een CEB zijn er bij 25% van
de patiëten nog andere identificeerbare oorzaken.
Aangezien TEE invasief en duurder is maar wel
duidelijke voordelen heeft boven transthoracale,
is een juiste indicatiestelling van belang door
de cardioloog.
Aanvullend laboratorium onderzoek
1. Bepaling binnen 48 uur na ischemisch `event'
van het (nuchtere) cholesterol, triglyceriden,
LDL- en HDL-cholesterol. Bepaling is niet zinvol
bij een levensverwachting £ 5 jaar of een
leeftijd ³ 70 jaar (mannen) of ³ 75
jaar (vrouwen). Indien bij bepaling na 48 uur
normale waarden worden gevonden dient na 3 maanden
het bovenstaande opnieuw te worden bepaald (i.v.m.
vals-negatieve uitslagen). 2. Bepaling TSH en
3. Sikkelcel-test bij patiënten uit risicogebieden
en/of lues- en borrelia-serologie bij patiënten
uit risicogroepen.
Vasculitis-onderzoek
Onderzoek geindiceerd bij verdenking vasculitis
of BSE ³ 20 bij patiënten < 45 jaar.
Eveneens bij ³ 45 jaar en BSE verhoging e.c.i.
en aanwijzingen hiervoor. Het volgende dient als
een richtlijn: reumafactoren, ANF, ANA, ANCA,
Anti-dsDNA, cryoglobulinen, hepatitis B-antigeen
en liquor-onderzoek: dan ook bepaling lues- en
borrelia-serologie.
`Young stroke'-protocol
Definitie: hersenischemie op een leeftijd <
45 jaar. Diagnostiek als boven (dus oriënterend
bloedonderzoek, TSH, cholesterol, triglyceriden,
LDL- en HDL-cholesterol, eventueel sikkelcel-test
en/of lues/borrelia serologie, duplex-carotiden,
consult cardioloog i.v.m. TEE). Bij verdenking
vasculitis of BSE > 20: zie deel Vasculitis.
Aanvullend laboratoriumonderzoek: vitamine B6
en B12 en foliumzuur. Tevens consult hematoloog
ter beoordeling hematologisch onderzoek: PTT (INR),
APTT, trombinetijd, fibrinogeen, reptilasetijd,
plasminogeen, FDP, anti-trombine-III, protrombine,
factor-V-Leiden, factor VIII, proteïne C
en S, APC-resistentie, lupus anti-coagulans, anti-cardiolipine
IgG en IgM. Onderzoek naar homocysteinemie:
- Urine-portie kwalitatief op homocysteine;
indien negatief dan ook:
- 24-uurs urine kwantitatief op homocysteine;
indien negatief en geen diabetes mellitus, hypertensie
of hyperlipidemie en een normaal vitamine B6,
B12 en foliumzuur dan ook:
- methionine-belastingstest.
N.B. De rol van genetische defecten in proteïne
C en S bij hersenischemie is nog onopgehelderd.
Gezien de lage prevalentie en feit dat deze voornamelijk
een rol spelen bij veneuze trombose is screening
niet zinvol. Wat betreft de meer prevalente factor-V-Leiden
en protrombine-variant lijkt alleen deze laatste
een rol te spelen. Overigens blijft de behandeling
gelijk ongeacht welke afwijking gevonden wordt.
Hoe de behandeling van hyperhomocysteinemie de
recidiefkans op nieuwe hersenischemie verminderd
is onbekend.
Transcraniële Doppler
(TCD)
Bij verdenking intracraniële stenose, arterioveneuze
malformatie (AVM) of op duplex stenose > 70%
van de carotis interna.
TCD met negatief contrast
Bij verdenking paradoxale embolie.
Angiografie
Indien oorzaak beroerte onbekend is, bv. bij verdenking
AVM, aneurysma, arteritis.
Secundaire preventie: Therapie
Medicamenteuze profylaxe bij
patiënten zonder indicatie voor orale anticoagulantia
Bij een TIA eenmalig carbasalaatcalcium 300 mg
waarna levenslang carbasalaatcalcium 38 mg 1dd.
1. tevens dipyridamol (Persantin Retard ®)
200 mg 2dd. 1 -In andere gevallen levenslang carbasalaatcalcium
38 mg 1dd. 1, tevens dipyridamol (Persantin Retard
®) 200 mg 2dd. 1. Wanneer de dipyridamol gemalen
moet worden (b.v. bij sonde) dan de tabletvorm:
150 mg 2dd. 1 -Indien contra-indicaties voor carbasalaatcalcium:
levenslang dipyridamol (Persantin Retard®)
200 mg 2dd. 1. Wanneer de dipyridamol gemalen
moet worden (b.v. bij sonde) dan de tabletvorm:
150 mg 2dd. 1 -Indien nieuw ischemisch event onder
carbasalaatcalcium of dipyridamol: clopidogrel
(Plavixr) 75 mg 1dd. 1 (na 1 maand controle bloedbeeld,
cave ITP)
N.B. 1. Om hoofpijn bij gebruik van dipyridamol
(Persantin®) te voorkomen moet dit middel
langzaam worden opgebouwd (b.v. in 8 dagen opbouwen
tot 4 dd. 75 mg waarna over wordt gegaan op de
2 dd. 200 mg retard). Tevens is het belangrijk
de patiënt voor te lichten over deze bijwerking
zodat een optimaler therapie-trouw wordt verkregen.
N.B. 2. De combinatie carbasalaatcalcium en dipyridamol
bleek in 2 van de 5 studies effectief (ESPS-1
en ESPS-2). Een meta-analyse van deze 5 toonde
een relatieve risicoreductie van 16% ten gunste
van de combinatie.
Medicamenteuze profylaxe
bij patiënten met indicatie voor orale anticoagulantia
Indicatie betreft AF en paroxismaal AF, reumatisch
mitraliskleplijden, kunstklep, aneurysma cordis,
myocardinfarct (minder dan 6 weken geleden), congestieve
cardiomyopathie, mitralisklepprolaps en significante
mitralisinsufficiëntie. Bij een TIA of geringe
neurologische uitvalsverschijnselen kan direct
gestart worden. Bij matige tot ernstige uitval
kan i.v.m. gevaar op hemorragische transformatie
beter 1 tot 2 weken gewacht worden. De streefwaarde
van de INR is 2,5 tot 3,5. Totdat de INR zich
in het streefgebied zich bevindt: carbasalaatcalcium
160-300 mg 1dd. 1 en dipyridamol (Persantin Retard
®) 200 mg 2dd. 1. Bij contra-indicaties voor
orale anticoagulantia (zoals valneiging, ernstige
leucoariose en mogelijke therapie-ontrouw): carbasalaatcalcium
100 mg 1 dd. 1 en dipyridamol (Persantin Retard
®) 200 mg 2dd. 1. Bij uitval onder gebruik
van anticoagulantia en een adequate INR kan overwogen
worden dipyridamol (Persantin Retard ®) 200
mg 1dd. 1 toe te voegen (hoewel niet bewezen).
N.B. Om hoofpijn bij gebruik van dipyridamol
(Persantin®) te voorkomen moet dit middel
langzaam worden opgebouwd (b.v. in 8 dagen opbouwen
tot 4 dd. 75 mg waarna over wordt gegaan op de
2 dd. 200 mg retard). Tevens is het belangrijk
de patiënt voor te lichten over deze bijwerking
zodat een optimaler therapie-trouw wordt verkregen.
Hypercholesterolemie
Behandeling is niet zinvol bij een levensverwachting
£ 5 jaar of een leeftijd ³ 70 jaar
(mannen) of ³ 75 jaar (vrouwen). Anders volgens
Tabel 2.8.
Tabel 2.8: Richtlijn behandeling verhoogd cholesterol.
| A |
Cholesterol
³ 5,0 en £ 8 mmol/l, en LDL-cholesterol
hoger dan 3,2 mmol/l; indicatie voor behandeling: |
| |
Simvastatine
(Zocor ®) 20-40 mg 1dd. 1 of pravastatine
(Selektine ®) 40 mg 1dd. 1 Controle na
3 maanden. (bij 1-2% vindt een stijging van
de transaminasen plaats tot 3x welke verdwijnt
bij dosisverlaging of staken) |
| |
Leefstijladviezen
(o.a. dieet: consult diëtiste) |
B |
Cholesterol
³ 8.0 mmol/l of een triglycerideconcentratie
³ 4.0 mmol/l: verwijzing naar internist |
Hyperhomocysteïnemie
Verlagen middels vitamine B12 1 mg i.m. per 2
maanden en foliumzuur 0,5 mg 1 dd.
Hypertensie
Hypertensie die na 2-3 weken persisteert behandelen.
CEA
Operatieve behandeling van een met duplex-onderzoek
of angiografie aangetoonde stenose van meer dan
70% aan de symptomatische zijde (mits de symptomen
niet langer dan 6 maanden voor de CEA plaatsvonden)
is bewezen zinvol. Er wordt een risicoreductie
verkregen van meer dan 70% in de komende 3 jaar
op een ipsilateraal recidief infarct. Een belangrijke
voorwaarde is de vaardigheid van de vaatchirurg
en het beschikbaar zijn van goede peri-operatieve
monitoring (EEG en TCD). Een relatieve contra-indicatie
is een leeftijd boven de 75 jaar.
Intracerebraal Hematoom
Verdenking intracerebraal hematoom:
- indien binnen 1 week dan: CT-hersenen
- later dan 1 week na accident: MRI-hersenen
Therapie
A. Indien patiënt anticoagulantia gebruikt:
in overleg met hematoloog couperen. Anticoagulantia
staken en dagelijks vitamine K 10 mg totdat INR
1,0 blijft (dagelijks vervolgen, m.n. bij fenprocoumon
wegens lange halfwaarde tijd). Bij acute levensbedreigende
bloeding in overleg met hematoloog stollingsfactoren
(II, VII, IX en X) i.v. Vervolgens zoals hierboven.
B. Carbasalaatcalcium of andere trombocytenaggregatie-remmer
staken.
C. Indien maligne hypertensie (systolisch >
230 mmHg en/of diastolisch > 135 mmHg): in
overleg met internist onder controle brengen.
De gemiddelde arteriële druk mag niet met
meer dan 25% acuut verlaagd worden.
Het hematoom moet worden ingedeeld in de volgende
groepen:
1. Hematoom passend bij aneurysmatische bloeding
2. Cerebellair hematoom
3. Lobair hematoom bij patiënt jonger dan
60 jaar
4. Lobair hematoom bij patiënt ouder dan
60 jaar
5. Diep gelegen hematoom, in basale ganglia en
thalamus of hersenstam
6. Intraventriculaire bloeding
Ad 1. Bij hematoom passend bij aneurysma: snel
overleg met neurochirurg over angiografie met
oog op operatie of coiling.
Ad 2. Cerebellair hematoom: operatie hematoom,
tenzij patiënt helder is. Indien patiënt
helder is, moet zeer frequente controle worden
afgesproken, a 1uur. Operatie wordt ge?ndiceerd
als patiënt niet meer in staat is opdrachten
uit te voeren, of twee punten achteruitgaat op
de GCS m.b.t. het openen van de ogen en verbale
respons. (Bij patiënten met een GCS <
11, is de prognose slecht)
Ad 3. Lobair hematoom bij patient jonger dan
60 jaar (en GCS ³ 11), herstel afwachten.
Onderliggende oorzaak b.v. AVM behoeft niet met
spoed te worden aangetoond. Bij achteruitgang
GCS onder 11; operatie overwegen; bij score onder
7 is de prognose zeer slecht.
Ad 4. Lobair hematoom bij patiiënt ten ouder
dan 60 jaar zelden indicatie voor operatie. Bij
normotensieve patiënten boven de 75 jaar
gaat het vaak om amyloïd angiopathie. Steun
hiervoor kan worden verkregen als er ook witte
stof afwijkingen zijn en aanwijzingen voor meerdere
oudere bloedingen; operatie is in deze groep zelden
geïndiceerd.
Ad 5. Bloeding in basale ganglia en thalamus:
operatie zelden ge?ndiceerd. Operatie kan worden
overwogen bij een GCS van 7-10.
De operatieve behandeling van het supratentoriele
hematoom is nooit wetenschappelijk bewezen. Voor
het cerebellaire hematoom die aanleiding geeft
tot neurologische achteruitgang zijn er studies
die een gunstig effect aantonen (GCS tussen 7
en 10). Recent vond in Nederland een gerandomiseerd
onderzoek (SICHPA-trial) plaats naar stereotactische
aspiratie van het diepe hematoom m.b.v. trombolytica
(urokinase). De studie is echter voortijdig afgebroken
en de resultaten zijn tot op heden niet geanalyseerd.
Ad 6. Bij primair intraventriculaire bloeding
met bewustzijnsdaling overweeg drainplaatsing
en ventriculair rTPA.
Bij een intraventriculaire bloeding kan overwogen
worden intraventriculair trombolytica (urokinase)
te geven. Er zijn aanwijzingen dat rtPA sneller
fibrinolyseert maar er zijn nog geen grote studies
hiermee verricht. Criteria: progressieve neurologische
achteruitgang ondanks een intraventriculaire drain;
verstopt raken van de drain of stolselvorming
rond de uitmonding; en dissectie van bloed in
de hersenstam (b.v. bij thalamus hematoom). Urokinase
(Abbokinase, Abbott Laboratories) is verkrijgbaar
als poeder dat samengevoegd met 5 ml steriel water
een 50 000-IU/ml oplossing wordt. Een dosis van
10 000 U (2 ml van een 1:9 verdunning van bovengenoemde
oplossing) wordt langzaam toegediend via een frontale
verntriculostomie drain, elke 12 uur. De drain
wordt daarna doorgespoeld met 3 ml conserveringsmiddel
vrije normale zoutoplossing, een uur gesloten,
opnieuw geopend tegen een druk gradient 10 tot
15 mmHg (boven het niveau van de meatus acousticus
externus) gedurende tenminste een uur. Hierna
wordt een CT-hersenen verricht en fibrinolytica-toediening
gecontinueerd totdat de derde en vierde ventrikel
geen bloed meer tonen op CT of totdat de patient
volledig herstelt.
N.B. Ongeveer 15% van de infarcten ondergaat
hemorragische transformatie. Dit verloopt meestal
asymptomatisch en is geen reden voor operatieve
interventie.
Hematomen in tumoren of metastasen
Deze komen voor bij hooggradige astrocytomen,
kiemceltumoren, melanomen en longcarcinomen. De
anamnese, aanwezigheid van veel oedeem kort na
de bloeding, de lokalisatie en eventuele aankleuring
kunnen hiervoor aanwijzingen geven. De kans dat
de patient bekend is met een solide tumor elders
en een bloeding, een intracerebrale metastase
heeft is 70-80%. Soms moet een MRI-hersenen in
een later stadium na resorptie herhaald worden
om uitsluitsel te bieden.
Behandeling van insult
Bij 7% v/d patiënten met een hematoom ontstaat
een insult. Het vaakst treedt dit op bij lobaire
bloedingen (15-25%). Voor therapie zie: protocol
Epilepsie.
Bewustzijnsdaling
Bewustzijnsdaling in de uren tot dagen na de bloeding
kan worden veroorzaakt door uitbreiding van het
hematoom, oedeemvorming of obstructiehydrocephalus.
Een CT-hersenen dient met spoed te worden vervaardigd.
Uitbreiding van het hematoom kan indicatie vormen
tot operatieve interventie evenals hydrocephalus
(plaatsing externe ventrikel drainage).
Behandeling verhoogde intracraniële
druk
Van de volgende therapieën ter verlaging
van de intracraniële druk is nimmer een gunstige
effect aangetoond: hyperventilatie, osmotherapie
zoals mannitol en glycerol, corticosteroiden of
barbituraten.
Preventie van complicaties
Diep veneuze trombose (DVT)
Preventie DVT bij geïmmobiliseerde patiënt
met een ischemische beroerte: -nadroparine (Fraxiparine
®) 2850 IE (=0,3 ml) s.c. 1dd. 1 Preventie
DVT bij geïmmobiliseerde patiënt met
een hemorragische beroerte: -compressiekousen
(TED-kousen).
Aspiratiepneumonie
Treedt bij 50% van de beroerten op, vooral dysfonie
en dysfagie zijn hiermee geassocieerd, met name
bij lage staminfarcten en grote hemisferaal infarcten.
Preventie naar richtlijnen volgens Tabel 2.9.
Tabel 2.9: Preventie aspiratiepneumonie
| - |
een
goed uitgevoerde slikscreening door logopedist
of verpleegkundige |
| - |
bij
verdenking slikstoornis: door verpleegkundige
protocollair inbrengen van een maagcatheter.
Bij twijfel over de ligging (b.v. als er geen
maagzuur geheveld wordt en er met lakmoespapier
geen zuurgraad bepaald kan worden) X-thorax
maken. |
| - |
alleen
als de patiënt rechtop zit sondevoedingen
in bolussen laten geven, anders laten `drippen'. |
-
|
In
overleg met logopedist en/of dietiste PEG-plaatsing
overwegen. |
Behandeling
Volgens geldend antibioticaprotocol: cefuroxim
(Zinacef ®) 750 mg i.v. 3dd. 1 en metronidazol
(Flagyl ®) 500 mg i.v. 3dd. 1. Bij overgevoeligheid
of eerdere antibioticabehandeling: overleg met
microbioloog.
Hypertensie in de acute fase
van een beroerte
Een bloeddrukstijging treedt bij 70-90% van de
beroerten op, en neemt na 7-10 dagen weer spontaan
af. Hypertensie in de acute fase wordt niet behandeld.
Alleen bij sterk verhoogde waarden (systolisch
> 200-230 en/of diastolisch > 125-135 mmHg)
wordt behandeling overwogen. Behandel dan met:
labetalol (Trandate®) 50-75 mg i.v. of 100-200
mg oraal (afhankelijk van lichaamsgewicht), zonodig
om de 5 min. herhalen (i.v. max. 200 mg/dag, oraal
max. 2400 mg/dag, halfwaardetijd: 4 uur). De gemiddelde
arteriële druk mag niet met meer dan 25%
acuut verlaagd worden. Tracht hierbij de diastolische
druk > 100 mmHg te houden. Bij tekenen van
hypertensieve encephalopathie (misselijkheid,
braken, gedaald bewustzijn en insulten met bloedingen
en exsudaten in de retina) en cardiale overbelasting
dient hypertensie te worden behandeld in overleg
met de internist.
Hyperglycemie
Alleen glucose > 15 mmol/l corrigeren.
Hypoglycemie
Alleen glucose < 3,0 mmol/l corrigeren.
Koorts
Koorts dient in de acute fase snel te worden verlaagd
middels antipyretica (b.v. paracetamol 1000 mg
supp. 3dd. 1). De oorzaak dient te worden opgespoord
en bestreden worden.
Zuurstofsaturatiedaling
De verpleegkundige geeft op geleide van de perifeer
gemeten zuurstofsaturatie tot 2 liter zuurstof
per minuut. Bij daling ondanks 2 liter zuurstof/minuut
waarschuwt de verpleegkundige de arts.
Stroke unit
Uit een meta-analyse van gerandomiseerde onderzoeken
blijkt dat niet alleen de mortaliteit maar ook
het aantal opgenomen patiënten in instellingen
voor chronische zorg en de gemiddelde verpleegduur,
afnemen door behandeling op een `Stroke unit'
in vergelijking met opname een neurologische afdeling.
Criteria om in aanmerking te komen voor opname
op de `Stroke unit':
- Er is een matige tot ernstige neurologische
uitval (Barthel tussen 5 en 15 (CONTROLEREN!!*));
- De uitval bestaat niet langer dan 24 uur (voor
trombolyse niet langer dan 3 uur);
- Er is sprake van een herseninfarct of intracerebraal
hematoom;
- Er is geen indicatie voor opname op de Intensive
Care;
- Er is geen indicatie voor directe verpleeghuisopname;
- Voor de patient bestond voor de beroerte geen
indicatie voor een langdurige opname in een
verpleeghuis;
- Patiënt is niet ernstig dementerend;
- Er bestaat geen ernstige co-morbiditeit, zoals
bij gemetastaseerde maligniteit of een andere
ziekte met een bekende infauste prognose op
korte termijn.
* De Barthel is een maat voor de zelredzaamheid,
heeft dus ''weinig'' met neurologische uitval
van doen.
Inrichting
- De `Stroke-unit' bevat 4 bedden
- Binnen 48 uur wordt gestart met fysiotherapie,
logopedie en ergotherapie
- De helft van de bedden heeft medium care voorzieningen,
te weten:
- monitoren voor continue bewaking van ECG, bloeddruk
en temperatuur
- pulse-oxymeter voor continue transcutane saturatie
meting
- zuurstof, vacuüm en perslucht
- infusieapparatuur met infusiepompen
- uitzuigapparatuur
- Patiënten kunnen gedurende 24 uur per dag
worden opgenomen
- Nieuwe patiënten worden eerst verpleegd
op de medium care bedden en vervolgens overgeplaatst
naar de normal care bedden. Binnen 5 dagen volgt
overplaatsing naar de afdeling.
- Eenmaal per week vindt multidisciplinair overleg
(MDO) plaats met alle behandelaars en verzorgers.
Controles
- Alle patiënten liggen gedurende tenminste
24 uur aan de monitor. Ieder uur worden hartfrequentie,
bloeddruk, temperatuur en zuurstofsaturatie genoteerd.
- Bewustzijn (GCS), pupillen en kracht iedere
3 uur bepalen.
- Door de arts wordt de Modified National Institutes
Of Health Stroke Scale-score (NIHSS) bepaald bij
opname en bij ontslag.
- Door de verpleegkundige wordt de Barthel-index
bepaald op dagen van het multi-disciplinair overleg
(MDO) en bij ontslag.
Dosering Fraxiparine
®
Deze is aangegeven in Tabel 2.10.
Tabel 2.10: Doseringen Nadroparine (Fraxiparine®).
| Gewicht
v/d patiënt (kg) |
Dosering
(ml, s.c., 2 dd.) |
| 30-33 |
0,25 |
| 34-40 |
0,30 |
41-45 |
0,35 |
| 46-54 |
0,40 |
| 55-67 |
0,50 |
| 68-80 |
0,60 |
| 81-90 |
0,70 |
| 91-100 |
0,80 |
| 101-120 |
0,90 |
Literatuur
Bovenstaand protocol werd gebaseerd op onderstaande
protocollen en richtlijnen.
CBO-Richtlijn: Beroerte. 2000 CBO-Richtlijn: Behandeling
en preventie van coronaire hartziekten door verlaging
van de plasmacholesterolconcentratie. 1998.
Protocol: Intracerebraal hematoom 1996 AMC - Amsterdam.
Protocol: CVA (ischemisch en bloedig) 1997 Leyenburg
Ziekenhuis - Den Haag Protocol: Young strokes
1996 AZR - Rotterdam
Bereczki D et al. Cochrane report: A systematic
review of mannitol therapy for acute ischemic
stroke and cerebral parenchymal hemorrhage. Stroke
2000; 31(11): 2719-22.
Coplin WM et al. A cohort study of the safety
and feasibility of intraventriculair urokinase
for nonaneurysmal spontaneous intraventriculair
hemorrhage. Stroke 1998; 29: 1573-9.
De Reuck J et al. Steroid treatment in acute ischaemic
stroke. A comparative retrospective study. Eur
Neurol 1988; 28(2): 70-2.
Gomez Garcia EB et al. Is er een reden voor bepaling
v/d Factor-V-Leiden-mutatie, protrombine-mutatie,
proteene-C- en -S-deficientie en antitrombine-III-deficientie
bij jonge patiënten met een ischemisch herseninfarct?
In: Neurologen vademecum Nummer 4 - april 2000.
Righetti E et al. Glycerol for acute stroke (Cochrane
Review) In: Oxford: Update Software. The Cochrane
Libary, Issue 3, 2001.
Onderstaande studies bepalen grotendeels het `evidence-bases'
handelen van bovengenoemde richtlijnen en protocollen.
(CAPRIE): A randomised, blinded, trial of clopidogrel
versus aspirin in patients at risk of ischaemic
events. Lancet 1996; 348: 1329-39.
(CAST) Chinese Acute Stroke Trial: randomised
placebo-controlled trial of early aspirin use
in 20.000 patients with acute ischaemic stroke.
Lancet 1997; 349: 1641-9 .
(EAFT) European Atrial Fibrillation Trial Study
Group: Secondary prevention in non-rheumatic atrial
fibrillation after transient ischaemic attack
or minor stroke. Lancet 1993; 342: 1255-62.
(ECASS) European Cooperative Acute Stroke Study:
Intravenous thrombolysis with recombinant tissue
plasminogen acitvator for acute hemispheric stroke.
JAMA 1995; 274: 1017-25 .
(ECST) European Carotid Surgery Trialists'Collaborative
Group. Randomised trial of recently symptomatic
carotid stenosis: final results of the MRC European
Carotid SurgeryTrial (ECST). Lancet 1998; 351:
1379-87.
(ESPS-2) Diener HC et al. European stroke prevention
study 2. Dipyridamole and acetylsalicylic acid
in the secondary prevention stroke. J Neurol Sci
1996; 143: 1-13. (NASCET) North American Symptomatic
Carotid Endarterectomy Trial Collaborators. Beneficial
effect of carotid endarterectomy in symptomatic
patients with high grade carotid stenosis. N Engl
J Med 1991; 325: 445-53.
(NINDS) The National Institute of Neurological
Disorders and Stroke rt-PA Stroke Study Group:
Tissue plasminogen activator for acute ischaemic
stroke. N Engl J Med 1995; 333: 1581-7.
The Dutch TIA Trial Study Group. A comparison
of two doses of aspirin (30 mg versus 283 mg day)
in patients with transient ischaemic attack or
minor ischemic stroke. N Engl J Med 1991: 325:
1261-6.
|