Home
  Behandeling
  Onderzoek
  Nieuw
Protocollen
  Staf
  Afspraken
  Links
HagaZiekenhuis
Protocollen >> Mononeuropathiën

De volgende punten worden hier besproken:

Inleiding
De meeste mononeuropathiën worden veroorzaakt door acute of chronische compressie. Zenuwcompressie kan locale demyelinisatie veroorzaken en uiteindelijk leiden tot axonale degeneratie. De dikste axonen zijn het meest gevoelig voor compressie. Voor het zenuwgeleidingsonderzoek is dit een gunstige omstandigheid, want de diverse technieken geven vrijwel uitsluitend informatie over de snelst geleidende motorische en sensibele zenuwvezels.

Neuropathie n. facialis (N. VII)
Innerveert mimische musculatuur.

Klinisch beeld
Zie hiervoor Tabel 19.1. Noteer ook hoeveel millimeter de lidspleet geopend blijft bij maximale contractie.

Tabel 19.1: Klinisch beeld N VII uitval

- inspectie nasolabiale plooi, mondmidden, mondhoek, oogleden (ptosis, knipperen), lidspleet, tanden `laten zien', ogen dicht laten knijpen, wenkbrauwen optrekken, `verstreken' voorhoofd
- oogsluiting let op onderste ooglid: moet actief aanspannen, soms fenomeen van Bell
- begeleidend veranderde smaak, hyperacusis (stapedius-reflex testen: patiënt stethoscoop opzetten en een stemvork vibrerend op membraan plaatsen, indien aangedane zijde luider klinkt is er hyperacusis; de n. facialis is dan proximaal of t.h.v. het ganglion geniculatum gelaedeerd)
- eventueel Schirmer's test semikwantitatieve maat voor veranderde traansecretie
- bij de parese van Bell in 1 tot 24 uur optreden van een facialis-asymmetrie, welke de eerste 7 dagen nog kan toenemen; tevens in 40-50% van de patiënten gepaard gaande met 1 tot 2 dagen voorafgaand aan parese pijn rondom of achter het oor en/of ook in de nek en in het achterhoofd (mogelijk C2-C3 uitval), fonofobie, doofheid v/h gelaat (uitval van sensibele vezels n. trigeminus; Wellicht is hier dus sprake van een mononeuritis van de hersenzenuwen, waarbij N VII op de voorgrond staat), afname van traansecetie, verlies van smaakgevoel in de tong, ophoping van speeksel en onduidelijk spreken

 Terug naar boven

Oorzaken N VII uitval
Tabel 19.2: Oorzaken N. VII uitval

1. Infecties herpes simplex 1 (parese van Bell), waterpokken, herpes zoster oticus (syndroom van Ramsay-Hunt), neuroborreliose (dubbelzijdig in 40-50% gevallen, vaak andere neurologische afwijkingen zoals pijnlijke radiculopathie v/d benen, vaak kinderen), acute en chronische otitis media (cholesteatoom), HIV, HTLV-1, bof, rubella, mononucleosis, lepra, influenza, Coxsackie, malaria, lues, tuberculose, gnathostomiasis, mucormycose, 'maligne' otitis externa
2. Traumata intra-uterien (druk), geboortetrauma (forceps), schedelbasisfractuur, aangezichtstrauma, trauma middenoor, barotrauma
3. Metabool diabetes, hyperthyreoidie, zwangerschap, porfyrie
4. Neoplasmata leukemie, rhabdomyosarcoom, hemangioom, glomus, neurofibromatose, meningeoom, Schwannoom, acusticusneurinoom, hemangioblastoom, sarcoom, carcinoom, metastase (mamma, seminoom), hydradenoom, adenoidcysteus carcinoom, teratoom, histiocytosis, fibreuze dysplasie, parotis-tumor
5. Intoxicaties thalidomide, tetanus, difterie, CO, vincristine
6. Iatrogeen locaal anestheticum, anti-tetanus-injectie, vaccinatie tegen rabiës, immunisatie, complicatie van operatie i.v.m. een brughoektumor, mastoidectomie (meest frequent), parotidectomie, rhytidectomie (face-lift), carotisendarteriectomie
7. Neurologische aandoeningen Mobius (diplegie en uitval van andere craniale zenuwen), Guillain-Barré? (m.n. bilateraal), poliomyelitis (meestal bilateraal), meningitis, encephalitis, neurofibromatose, metastase, multipele sclerose, myasthenia gravis, vasculair, tumor, dystrophia myotonica
8. Idiopathisch cardiofaciaal syndroom, syndroom van Melkerson-Rosenthal (multifocale granulomateuze angiitis), erfelijke hypertrofische neuropathie, auto-immuunsyndromen, arteritis temporalis, thrombocytopenische purpura, periarteriitis nodosa, sarcoidose (syndroom van Heerfordt (uveoparotitis)), osteopetrose, Wegener granulomatosis

 Terug naar boven 

Diagnostiek
Tabel 19.3: Diagnostiek N. VII uitval

1. bij klinisch onderzoek een parese van Bell: bepalen serologie op lues en neuroborreliose, tevens ter bepaling van de prognose een magnetic evoked potential-onderzoek (MEP)
2. bij patiënten met in de voorgeschiedenis een maligniteit altijd beeldvorming (MRI-hersenen) en hierop volgend een liquorpunctie ter bepaling evt. maligne cellen
3. verder altijd aanvullend onderzoek (CT-hersenen, lumbaal punctie) bij koorts, andere focale afwijkingen, bilaterale facialisparese en indien na 3-6 weken geen tekenen van herstel gevonden worden
4. bij verdenking KNO-pathologie: consult KNO-arts

Therapie bij facialis uitval
Parese van Bell

Vaak treedt spontane verbetering op, 70% geneest in 3-6 weken, 20% houdt restverschijnselen (abnormale tranenvloed, myokymieën) en 10% hinderlijke asymmetrieën (hemifacialis-spasme, contracturen) en synkinesien (b.v. sluiten van oog bij lachen). Hypromellose 0,3% o.g.t.t. voor overdag ( z.n. 1 druppel per uur) en horlogeglasverbanden (Pro-Ophta S (Lohman) groot nr. 34229, klein nr. 34227) ter voorkoming van keratitis Pathogenese: meest waarschijnlijk reactivatie latent herpes simplex virus type I

Binnen 72 uur starten met prednisolon 25 mg 2 dd. 1 tab. gedurende 10 dagen (20 tab.). N.B. Toevoegen van valaciclovir (Zelitrex) is dus niet nodig volgens recente grote trial.

(N.B. aanpassing door E.W. Peters t.o.v. oorspronkelijke protocol)


Relatieve Contra-indicaties: diabetes mellitus, ulcus, zwangerschap, virale infecties anders dan Herpes Simplex, lever- en nierfunctiestoornis, immuundeficiëntie.


In alle gevallen: hypromellose 0,3% oogdruppels o.g.t.t. voor overdag ( z.n. 1 druppel per uur) en horlogeglasverbanden (Pro-Ophta S (Lohman) groot nr. 34229, klein nr. 34227) ter voorkoming van keratitis.
Contra-indicaties: diabetes mellitus, hypertensie, ulcus, zwangerschap, tuberculose, virale infecties anders dan Herpes Simplex, lever- en nierfunctiestoornis, immuundeficiëntie.


 Terug naar boven

Herpes Zoster oticus (syndroom van Ramsay-Hunt)
Tabel 19.4: Behandeling Herpes Zoster Oticus

-

ICC KNO-arts

- zo snel mogelijk valaciclovir (Zelitrex ®) 500 mg 3 dd. 2 tab. voor 7 dagen (42 tab.)
- contra-indicaties: diabetes mellitus, hypertensie, ulcus, zwangerschap, tuberculose, virale infecties anders dan Herpes Simplex, lever- en nierfunctiestoornis, immuundeficiëntie
- hypromellose 0,3% o.g.t.t. voor overdag ( z.n. 1 druppel per uur) en horlogeglasverbanden (Pro-Ophta S (Lohman) groot nr. 34229, klein nr. 34227 ter voorkoming van keratitis
- eventueel pijnstilling en anti-emetica en Dermatol poeder (strooitube) voor de huidlaesies

N.B. Differentiatie met de parese van Bell is belangrijk vanwege de contra-indicatie van prednison (bij toepassing alternatieve therapie): huidlaesies: erytheem of blaasjes i/d oorschelp, patiënt maakt zieke indruk (kan oorpijn, hoofdpijn, duizeligheid, misselijkheid, tinnitus en gehoorsvermindering hebben).

Post-operatieve N. VII uitval
In de eerste uren na de operatie kan de uitval van de n. facialis nog berusten op het effect van een locaal anestheticum, indien dit is gebruikt; dit effect zal echter binnen enkele uren moeten verdwijnen. Indien de uitval van de n. facialis incompleet is, of eerst uren of dagen na de operatie ontstaat, is de prognose waarschijnlijk gunstig. Indien een complete uitval direct post-operatief blijkt te bestaan, en de chirurg zegt de zenuw goed te hebben kunnen identificeren en vervolgen tijdens de operatie en deze intact te hebben kunnen laten, kan re-exploratie uitgesteld worden, zeker indien de zenuw 5 dagen later nog prikkelbaar blijkt te zijn. Indien echter de complete laesie blijft bestaan, wordt spoedige heroperatie aangeraden om de continu?teit van de zenuw al dan niet door een transplantaat te herstellen, alvorens verlittekening identificatie van de normale anatomische structuren onmogelijk maakt.

Lange termijn behandeling N VII uitval

1.

Psychosociale begeleiding

2. Plastische chirurgie of implantatie goudplaatje in bovenooglid (4)
3. Mimetherapie
4. Botuline-toxine bij hinderlijke spasme of synkinesieën

 Terug naar boven

Neuropathie n. accessorius (N. XI)
Innerveert M. trapezius en M. sternocleidomastoideus.

Klinisch beeld
Afhangende schouder, zwakte bij het heffen van schouder en zijdelings heffen v/d bovenarm, soms ook pijn in de schouder en later een verandering in contour van nek en schouder, atrofie v/h bovenste deel v/d m. trapezius. N.B.
1. Een paralyse v/h bovenste deel v/d m. trapezius wordt vaak pas laat opgemerkt door de patiënt.
2. Paralyse v/d m. trapezius treedt alleen op wanneer ook de innervatie vanuit C3-C4 verstoord is.

Oorzaken
Tabel 19.5: Oorzaken uitval N XI

- Proximale laesie ruimte-innemende proces (RIP) v/d schedelbasis of foramen magnum, schedelbasisfractuur lopende tot i/h foramen magnum (syndroom van Siebenman), fracturen v/d occipitale condylus, neurinoom, anomalieën v/d cranio-cervicale overgang, zelden carotisendarterectomie
- Distale laesie RIP zoals een lymfoom of hematoom daar waar de zenuw de cervicale klieren passeert, kleine ingrepen aan de nek (lymfklierbiopsie of extirpatie v/e zwelling van andere herkomst), zelden bij ingreep a/d vena jugularis interna (catheterisatie), traumata of zelfs een `zuigzoen'

N.B. Bij een radicale nekdissectie is een laesie voorzien en onherstelbaar.

Differentiaal diagnose
Plexus-brachialislaesie.

Diagnostiek
EMG m.n. ter differentiatie van een plexus-brachialislaesie.

Therapie neuropathie N XI
Tabel 19.6: therapie neuropathie N XI

- bij een hematoom of trauma is er meestal spontaan herstel
- bij complete laesie m.n. na iatrogeen letsel wordt vroege exploratie aanbevolen
- i/d andere gevallen wordt het beloop enkele maanden afgewacht, en wordt bij uitblijven van herstel binnen 3 - 4 maanden alsnog overgegaan tot exploratie, al bezigen anderen een limiet van 6 maanden, en is ook na langere tijd, tot 12 maanden, nog wel eens spontaan herstel beschreven, exploratie is echter mogelijk tot 2 jaar na het ontstaan
- indien geen neurologisch herstel mogelijk is, kan een orthopedische ingreep, de zogenaamde gewijzigde Eden-Lange procedure, waarbij de insertie van de m. levator scapulae en de mm. rhombo?dei wordt aangepast, nog uitkomst bieden bij jonge mensen die hoge eisen aan hun schouderfunctie stellen

 Terug naar boven

Neuropathie n. phrenicus (C3-C4 en soms ook C5)
Innerveert diafragma.

Klinisch beeld
Meest frequent zijn onderkwabs-atelectase en hoogstand van een diaphragmahelft of paradoxaal bewegen v/h diaphragma. N.B. De zenuw bevat ook sensibele afferenten welke in de zogenaamde Head-zones (zie afbeelding) pijn kunnen veroorzaken (in dit geval C3-C4) t.g.v. aandoeningen van lever, galblaas en pancreas.
Zones met gereferreerde pijn volgens Henry Head:


Afbeelding: Segmental innervation, Thieme, 1962

Oorzaken
Traumata (b.v. dwarslaesie C4, of als onderdeel v/e cervicale plexuslaesie), ingrepen i/d nek (b.v. bij catheterisatie v/d v. jugularis interna, supraclaviculaire plexus anesthesie), vaker bij ingrepen i/d thorax, (b.v. thymectomie, bij open hartoperatie (meestal betreft het in het laatste geval een thermisch letsel van de n. phrenicus sinister, door koeling van het hart tijdens de operatie met ijswater)), maligne tumoren (b.v. bronchuscarcinoom, lymfoom of thymoom), soms ge?soleerd bij zuiver musculaire aandoeningen zoals zure-maltase deficiëntie.

Differentiaal diagnose
Als onderdeel van myasthenia gravis, Lambert-Eaton, Guillain-Barré?-syndroom, ALS, HMSN of amyotrofe schouderneuralgie (dan ook variant mogelijk met recidiverende geïsoleerde en alternerende uitval).

Diagnostiek
- X-thorax (met laterale opname of doorlichting)
- echo v/h diaphragma
- EMG (hoewel geen van alle erg sensitief)

Therapie
Bij veel patiënten treedt herstel binnen enkele maanden op.

 Terug naar boven

Neuropathie n. scapularis dorsalis (C3-C4-C5)
Innerveert mm. rhomboïdei en m. levator scapulae.

Kinisch beeld
Alleen bij zeer slanken is een lichte verplaatsing v/d scapula zichtbaar (lichte externe rotatie), atrofie en paralyse worden pas zichtbaar wanneer de patiënt, terwijl deze met zijn hand op zijn heup staat, krachtig de elleboog naar achteren tracht te drukken.

Oorzaken
Een geïsoleerde laesie is zeer zeldzaam en wordt vaak veroorzaakt door kogel- of snijverwonding.

Differentiaal diagnose
Plexus-brachialislaesie.

Therapie
Aanleggen zenuwnaad of verplaatsing deel aanhechting v/d m. latissimus dorsi naar de scapula.

 Terug naar boven

Neuropathie n. suprascapularis (C4-C6)
Innerveert m. supraspinatus en m. infraspinatus.

Klinisch beeld
Atrofie en zwakte v/d m. infraspinatus (zorgt voor exorotatie v/d arm i/d schouder) en de m. supraspinatus (zorgt voor begin (eerste 15 graden) v/d abductie i/h schoudergewricht), soms ook pijn i/d schouder Praktisch gezien kan een patiënt zich b.v. niet op het achterhoofd krabben, hierdoor kan een patiënt uitval jaren niet bemerken.

Oorzaken
Komt vaak voor bij volleyballers, tennissers en slagwerkers door overbelasting (mogelijk compressie i/d incisura scapulae b.v. door een ganglion) of traumata (schouderdislokatie, kogel- of snijverwonding).

Differentiaal diagnose
Peesrupturen van delen v/d rotatoren-cuff.

Therapie
Spontane genezing (slechts zelden is een zenuwnaad of autotransplantaat noodzakelijk), een sport hoeft niet te worden gestaakt, eventueel neurolyse bij een ganglion.

 Terug naar boven

Neuropathie n. subscapularis (C5-C6)
Innerveert m. subscapularis en m. teres major

Klinisch beeld
Zwakte v/d m. subscapularis en m. teres major waardoor rotatie van de gebogen arm voor de borst minder krachtig is (compensatie door de m. pectoralis major en m. latissimus dorsi); praktisch gezien kan de patiënt zijn onderrug niet krabben met de aangedane zijde. Atrofie is door hun diepe ligging niet zichtbaar maar wel palpabel i/d oksel wanneer vergeleken met de andere zijde.

Differentiaal diagnose
Een geïsoleerde uitval is niet beschreven, wel als onderdeel v/e plexus-brachialislaesie.

Therapie
Zowel een zenuwnaad als een orthopedische ingreep zijn niet uitvoerbaar of van enigerlei nut.

 Terug naar boven

Neuropathie n. thoracicus longus (C5-C7)
Innerveert m. serratus anterior

Klinisch beeld
Zwakte v/d m. serratus anterior waardoor een scapula alata (`winging') ontstaat (patiënt met gestrekte armen tegen muur laten duwen), soms een wat zeurderige pijn door onfysiologisch gebruik v/d schouder. Komt meer bij mannen voor, en vaker rechtszijdig.

Oorzaken
Compressie (bij b.v. dragen van een rugzak, steigerbouwers, bandages), stomp trauma (wat ook kan ontstaan na een elektrische schok), amyotrofe plexusneuralgie, iatrogeen (injectie, na verwijdering axillaire lymfklieren bij mastectomieën, transaxillaire eerste rib excisies of thoracotomieën), ook beschreven na pneumonie of andere infecties (Rocky Mountain Spotted Fever, difterie, typhus).

Differentiaal diagnose
Fascioscapulohumerale spierdystrofie (kan debuteren met unilaterale scapula alata).

Diagnostiek
EMG (normale geleidingssnelheid ligt rond de 67 m/s).

Therapie
De prognose is goed, compleet herstel kan 2 jaar vergen (uiteraard vermijden van compressie). Indien geen neurologisch herstel mogelijk is, kan een orthopedische ingreep uitkomst bieden (aanhechten van deel van de m. pectoralis major aan de scapula).

 Terug naar boven

Neuropathie n. intercostalis
Innerveren intercostaalspieren.

Klinisch beeld
Paroxysmale pijnen met pijn bij aanraking i/h betreffende huidgebied.

Oorzaken
Compressie van een dorsale wortel door tumoren, ontstekingsprocessen van de wervels of wervelinzakkingen, bij diabetes mellitus, na thoracotomie.

Therapie
Pijnbehandeling zoals bij neuralgieën gebruikelijk: amitriptyline 25 mg per dag (dosis-afhankelijk werkzaam waardoor opbouw tot 150 mg per dag mogelijk is, analgetische werking in 1-7 dagen), carbamazepine begindosering 200-400 mg per dag (dosis-afhankelijk werkzaam waardoor opbouw tot 1200 mg per dag (in 3-4 giften) mogelijk is), gabapentine (900-1200 mg per dag (in drie dagen opbouwen, dosis-afhankelijk werkzaam waardoor opbouw tot 3600 mg per dag (in 3 giften) mogelijk is), operatief ingrijpen geeft zeer matig resultaat.

 Terug naar boven

Neuropathie n. thoracodorsalis (C6-C8)
Innerveert m. latissimus dorsi, soms ook m. teres major.

Klinisch beeld
Zwakte v/d m. latissimus dorsi waardoor krachtige elevatie achter de rug van een gestrekte arm met de handpalm naar achteren en hierbij naar mediaal bewegen van de arm niet mogelijk is (de patiënt ondervindt dus nauwelijks hinder). Atrofie is duidelijk zichtbaar.

Differentiaal diagnose
Een geïsoleerde uitval is zeldzaam, wel als onderdeel van een plexus-brachialislaesie.

Therapie
Een orthopedische ingreep is niet van enigerlei nut.

 Terug naar boven

Neuropathie n. pectoralis medialis et lateralis (C5-T1)
Innerveert m. pectoralis major en m. pectoralis minor.

Klinisch beeld
Zwakte van de m. pectoralis major en minor waardoor de arm minder krachtig adduceert (adductie met een i/d elleboog gebogen en licht geheven arm), hierdoor is atrofie goed zichtbaar en palpabel.

Differentiaal diagnose
Een geïsoleerde uitval is zeldzaam, wel als onderdeel van een plexus-brachialislaesie, congenitale aplasie, progressieve spierdystrofieën van de schoudergordel.

Therapie
Een orthopedische ingreep is niet van enigerlei nut.

 Terug naar boven

Neuropathie n. axilaris (C5-C6)
Innerveert m. deltoïdeus, m. teres minor).

Klinisch beeld
zwakte van de m. deltoideus en m. teres minor waardoor anterieure elevatie en abductie v/d arm is beperkt evenals exorotatie
uitgesproken atrofie v/d m. deltoïdeus
soms gevoelsstoornis in een klein deel laterale zijde bovenarm (n. cutaneus brachii lateralis superior).

Afbeelding: Aids to the examination of the peripheral nervous system, W.B. Saunders, 2000

Oorzaken
Anterieure dislokatie v/d schouder, fractuur v/h collum chirurgicum v/d humurus, compressie t.g.v. het liggen op de arm, corset of gedurende anesthesie.

Differentiaal diagnose
Arthrogene oorzaken van deltoideus atrofie, frozen shoulder, rotatoren-cuff ruptuur, spierdystrofie, m. deltoideus-ruptuur (zeldzaam).

Therapie

  • vaak spontaan herstel binnen zes weken
  • indien herstel binnen 6 weken uitblijft: exploratie met zenuwnaad of zenuwtransplantatie
  • indien dit niet uitvoerbaar is kan bij partiele deltoïdeus paralyse een transpositie v/e spieraanhechting worden overwogen, bij complete paralyse is dit weinig succesvol
 Terug naar boven

Neuropathie n. musculocutaneus (C6-C7)
innerveert (m. biceps brachii, m. coracobrachialis, m. brachialis).

Klinisch beeld

  • zwakte v/d m. biceps brachii en m. coracobrachialis waardoor supinatie en anterieure elevatie is verminderd, bij distaler gelegen laesies is alleen de supinatie verminderd
  • gevoelsstoornis aan de radiale zijde van de onderarm (n. cutaneus antebrachii lateralis), echter door anastomoses met de sensibele takken v/d n. radialis zijn deze vaak beperkt
  • zeer zelden geïsoleerd aangedaan
Afbeelding: Aids to the examination of the peripheral nervous system, W.B. Saunders, 2000

Oorzaken
Meestal traumata (steek- kogel- of snijverwonding), zelden zonder voorafgaand trauma (na zware training of plotse retroflexie v/e gedeeltelijk geabduceerde arm), iatrogeen (chirurgie v/e recidiverende schouderdislokatie, compressie door strak verband bij een claviculafractuur, na anesthesie), zeer zelden t.g.v. compressie.

Differentiaal diagnose
Ruptuur van de pees v/h caput longum v/d m. biceps brachii, zelden als onderdeel v/e plexus-brachialislaesie.

Therapie
Bij traumatische laesie: zenuwnaad (de n. musculocutaneus heeft de beste prognose van alle perifere zenuwen voor regeneratie) . Indien irreversibele schade: spiervervanging met b.v. de m. latissimus dorsi.

 Terug naar boven

Neuropathie n. radialis (C5-T1)
Innerveert m. triceps brachii, m. anconeus, m. brachioradialis, m. extensor carpi radialis longus et brevis, m. supinator, m. extensor carpi ulnaris, m. extensor digitorum, m. extensor digiti minimi, m. abductor pollicus longus, m. extensor pollicus longus et brevis, m. extensor indicis en soms m. brachialis.

Klinisch beeld

  • Zwakte v/d m. triceps brachii waardoor extensie-zwakte v/d elleboog optreedt .
  • Tevens gevoelsstoornis a/d laterale zijde v/d bovenarm (n. cutaneus brachii posterior) welke beperkt is door anastomosen met n. cutaneus medialis).
Afbeelding: Aids to the examination of the peripheral nervous system, W.B. Saunders, 2000

Oorzaken proximale laesies n. radialis
Bij een laesie in de bovenarm ontstaat een `dropping hand' of soms alleen `dropping fingers' (soms ook een oedemateuze zwelling a/d dorsale zijde v/d hand de z.g. zwelling van Gubler waarvan de etiologie niet bekend is). Daarnaast gevoelsstoornissen a/d radiuszijde distaal a/d onderarm (n. cutaneus antebrachii posterior) en klein gebied v/d handrug. Tevens ontbreekt zwakte op v/d m. triceps brachii . De meest voorkomende oorzaak is t.g.v. de humerus-schachtfractuur. Andere oorzaken waarbij compressie van de zenuw tegen de humerus: tijdens de slaap (m.n. alcoholici die in slaap vallen met de arm over de rug v/d stoel: `Saturday night palsy'), bij immobiel liggenden (b.v. Parkinson-patiënten, comateuzen (soms bilateraal)), iatrogeen: compressie gedurende anesthesie, bij neonaten soms t.g.v. continue bloeddrukmeting, zelden t.g.v. injecties of venapuncties, soms i/h kader v/e erfelijke drukneuropathie (waarbij m.n. de n. radialis is aangedaan).

Supinator-syndroom
ook wel interosseus-posterior syndroom Hierbij is sprake van een laesie v/d zenuw waar deze door de m. supinator passeert. Er is pijn in de onderarm (soms ook elleboog), zwakte v/d vinger-extensoren (in begin m.n. v/d m. extensor digiti minimi) en m. extensor carpi ulnaris (partiële `wrist drop' met radiale deviatie) . Soms gevoelsstoornis alleen dorsaal over de eerste m. interossei ruimte. Oorzaken zijn traumata (steek- en snijverwonding), dislokatie v/h radius-kopje, soms t.g.v. Monteggia-fractuur (ulna fractuur met dislokatie v/h radius-kopje), iatrogeen t.g.v. injectie, compressie door lipoom, dynamische compressie t.g.v. fibreuze band i/d m. supinator tijdens beweging (vaak bij musici (dirigenten, pianisten en gitaristen)).

Distale laesies n. radialis
Individuele spieren vertonen uitval met gevoelsstoornissen in kleine gebieden zoals cheiralgia paresthetica (gevoelsstoornis radiale zijde ]v/d duim met dysaesthesie t.g.v. compressie door b.v. gebruik v/e schaar) Oorzaken zijn compressie door b.v. dragen van handboeien (`prisoner's palsy' ) of t.g.v. langdurig gebruik van bepaalde gereedschappen (b.v. schaar), iatrogeen na aanleggen v/e shunt (a. radialis en v. cephalica) . Als geïsoleerd symptoom bij lood-intoxicatie (b.v. bij schilders, drukkers of arbeider die accu's vervaardigen). Overig: zenuwtumor of ganglion-cyste.

 Terug naar boven

Differentiaal diagnose
Centrale paralyse, radiculopathie C7, distale spierdystrofie, spinale spierdystrofie, snapping fingers, contractuur van Volkmann, polyarthritis.

Diagnostiek n. radialis uitval
Kliniek en EMG. Bij progressie: na hoogtebepaling middels EMG, eventueel bij verdenking supinator-syndroom: X-foto of CT om b.v. een lipoom aan te tonen.

Therapie n. radialis uitval
Dit is weergegeven in Tabel 19.7

Tabel 19.7: Therapie n. radialis uitval

humerus-schachtfractuur bij direct ontstaan tijdens fractuur (door directe contussie) expectatief (tenzij i.v.m. de fractuur operatief moet worden ingegrepen: dan exploratie). Indien na 3 maanden geen progressie in het herstel plaatsvindt en re-innervatie niet middels EMG aangetoond kan worden: exploratie. Indien na dagen tot weken een radialis-uitval optreedt: direct exploratie
traumata in de onderarm zenuwnaad worden overwogen (matige prognose)
compressie expectatief, goede prognose, herstel begint binnen enkele dagen
supinator-syndroom exploratie en excisie lipoom of fibreuze band
permanente uitval palliatief middels spalk of chirurgisch door spieraanhechting transposities

 Terug naar boven

Neuropathie n. medianus (C5-T1)
Innerveert m. pronator teres, m. pronator quadratus, m. flexor carpi radialis, m. palmaris longus, m. flexor digitorum superficialis, m. flexor digitorum profundus (II et III), m. flexor pollicis longus, m. flexor pollicis brevis (caput superficiale), m. abductor pollicis longus et brevis, m. opponens pollicis, mm. lumbricalis (I et II).

Klinisch beeld
Bij laesie i/d axilla, bovenarm of elleboog : zwakte v/d vingerflexoren behalve die door de n. ulnaris worden verzorgd waardoor een z.g. `oath' of `preacher's hand' ontstaat . Oorzaken v/e partieel n. medianus laesie: Iatrogeen (na vena- en arteriepunctie of injectie i/d fossa cubita, vorming vals aneurysma na catheterisatie v/d a. cubiti.

Oorzaken laesie i/d axilla
Iatrogeen t.g.v. puncties (b.v. bij angiocardiografie of axillair-blok anesthesie).

Oorzaken laesie i/d bovenarm
Soms humerus-schachtfractuur, soms compressie tegen de humerus tijdens de slaap, iatrogeen (ingrepen onder bloedleegte), fractuur v/d processus supracondylaris v/d humerus die bij slechts 1% aanwezig is (soms ook irritatie hiervan), compressie door het ligament van Struther (band tussen de processus supracondylaris en epicondylis medialis).

Oorzaken laesie i/d elleboog
Fractuur distale deel v/d humerus (m.n. supracondylaire hyperextensie trauma's met veel dislokatie), compressie tussen de humerus en de ulna na repositie van een gedislokeerde elleboog, soms zelfs jaren na elleboogfractuur.

Therapie
Indien aanwezig: resectie v/h ligament van Struther . Expectatief bij supracondylaire fractuur gezien goede prognose, maar indien geen tekenen van herstel na 5-6 maanden moet exploratie volgen.

 Terug naar boven

Pronator teres-syndroom
Inklemming n. medianus tussen de koppen v/d m. pronator teres m.n. bij extensie v/d arm, onder een harde kap bij extensie v/d arm, onder een harde aponeurose v/d m. biceps brachii of onder een fibreuze band v/d m. flexor digitorum superficialis.

Klinisch beeld

  • pijn in de onderarm en soms uitstraling naar de radiale zijde v/d hand (digiti I t/m III en handpalm) zonder nachtelijke klachten, gestoorde pincetgreep, soms flexiekramp van digiti I en II, soms gevoelsstoornissen ulnaire zijde duim en radiale zijde digitus II
  • zwakte v/d m. flexor pollicis brevis en m. abductor pollicis brevis, soms ook zwakte m. opponens pollicis
  • provocatie door krachtige en herhaalde pronatie v/ onderarm, extensie v/d elleboog en flexie van digiti I en II
  • soms lokale drukpijn t.p.v. de m. pronator teres
Afbeelding: Aids to the examination of the peripheral nervous system, W.B. Saunders, 2000

Syndroom van Kiloh-Nevin (n. interosseus anterior syndroom)
De n. interosseus anterior is een motore zenuwtak v/d n. medianus.

Klinisch beeld
Zwakte v/d m. flexor digitorum profundus (II et II) , m. flexor pollicis longus en m. pronator quadratus waardoor men niet de eindphalanx v/d duim, wijs- en soms ook middelvinger kan buigen (men kan geen pincetgreep uitvoeren of een mooie ronde ' O' maken met digiti I en II, z.g. `pinch sign').

Oorzaken
Fractuur v/d onderarm, zelden compressie t.g.v. fibreuze band, idiopathisch.

Differentiaal diagnose
Radiculopathie C7-C8.

 Terug naar boven

Therapie n. medianus (behalve CTS)
Bij traumata en iatrogene laesies: exploratie en eventueel een zenuwnaad (bij laesie ontstaan na injectie: expectatief, mogelijk schade door injectie-vloeistof) Bij progressie kan middels EMG vertraagde geleiding v/d n. medianus en denervatie v/d door de n. interosseus anterior geïnnerveerde spieren aangetoond worden en exploratie v/d m. pronator teres worden overwogen . In alle andere gevallen: expectatief.

Laesie n. medianus t.h.v. pols (exclusief CTS)
Zwakte v/d m. abductor pollicis longus waardoor volledig abductie v/d duim niet meer mogelijk (ontstaat z.g. 'bottle sign'), in later stadium atrofie . Tevens zwakte v/d m. opponens pollicis waardoor opponeren niet meer mogelijk is.

Oorzaken
Traumata (steek- en snijverwonding), soms radiusfractuur, soms dislokatie ossa carpalia, iatrogeen na polsfixatie in flexiestand of repositie-pogingen, zeer zelden compressie door dragen van handboeien of armbanden.

Carpaal tunnelsyndroom (CTS)
Compressie n. medianus onder het ligamentum carpi transversum (ook wel flexor retinaculum).

Klinisch beeld

  • brachialgia paresthetica nocturna ('s nachts wakker worden van pijn, wapperen met hand laat klachten verdwijnen)
  • paraesthesieën vaak in alle vingers en pijn kan zelfs in de gehele arm tot aan de nek worden gevoeld
  • soms bij besturen fiets of auto
  • gevoelsstoornis v/d duimtop en palmaire zijde wijs- en middelvinger
  • zwakte v/d m. abductor pollicus brevis en m. opponens pollicus waardoor topje duim niet goed op pink te plaatsen is of te behouden
  • soms atrofie v/d eminentia thenare
  • zelden vasomotore uiting zoals fenomeen van Raynaud
  • vaak initieel unilateraal en dan meestal rechtszijdig, later bilateraal
  • prevalentie: 1 op 1000, vaker bij vrouwen (verhouding man-vrouw, 0,6 tegen 6
Afbeelding: Aids to the examination of the peripheral nervous system, W.B. Saunders, 2000

Oorzaken

  • idiopathisch
  • verandering v/d carpale tunnel door: congenitale anomalie, traumata (Colles' fractuur, fractuur ossa carpalia, doorn, glasscherf), hematoom bij gebruik orale anticoagulantia of stollingsziekten, getromboseerde arterie
  • bindweefselziekten: tenosynovitis (repetitive strain injury), tendomyopathie, verdikking peesschede bij `snapping finger', rheumatoïde arthritis, sclerodermie, polymyalgia rheumatica, systemische lupus erythematosus, jicht (tophi), chondrocalcinosis, eosinophiele fascitis,
  • endocrinopathieën: diabetes mellitus, hyper- of hypothyreoïdie, graviditeit, gebruik van orale anticonceptie, acromegalie, hyper- of hypoparythyreoïdie
  • overige: amyloïdosis, adipositas, infectie (o.a. neuroborreliose, tuberculose, lepra), ganglion, lipoom, perineuraal, angioom, congenitale arterioveneuze fistula, Cimino-Brescia shunt t.b.v. hemodialyse, multipele myeloma, mucopolysaccharidosis, beet v/e slang
  • familiare vorm: zeer verdikt ligamentum carpi transversum, erfelijke drukneuropathie

Differentiaal diagnose
Onderste plexuslaesie, radiculopathie C7-C8 en soms T1.

 Terug naar boven

Diagnostiek

  • Provocatieproeven: onbetrouwbaar. Niet doen dus (tijdverspilling).
  • EMG: Sensibel en motorisch geleidingonderzoek over de pols (soms ook naald EMG) waarbij geleidingsvertraging over de carpale tunnel en soms denervatie duimmuis wordt gevonden (soms worden hierbij anastomosen gevonden tussen de n. medianus en ulnaris zoals anastomose van Martin-Gruber)
  • Lab. onderzoek: TSH, glucose en reumafactoren (indien hiervoor geen aanwijzingen zijn is dit niet noodzakelijk).

N.B. Bij lepra (M. Hansen) kan behalve huidafwijkingen ook een verdikte n. medianus en ulnaris gepalpeerd worden (lepramateuze neuritis). Soms oorzaak bij immigranten.

Therapie
Oorzakelijke factor behandelen. Meestal echter idiopathische. Dan:

  • conservatief: vermijden bepaalde bewegingen, nachtspalk en eventueel analgetica
  • lokale corticosteroidinjectie (zonodig herhalen na 3 maanden) 3. eventueel operatief klieven ligamentum carpi transversum.
  • primair operatief bij motorische uitval of blijvende sensibiliteitsuitval of geleidingsvertraging meer dan de helft van normaal

Laesie n. medianustakken t.h.v. de handpalm

Klinisch beeld
Afhankelijk van laesie: zwakte v/d thenare spieren, of zwakte v/d m. lumbricalis met atrofie of paresthesieën.

Oorzaak
Compressie palmair (b.v. wielrenners; `bicyclists'palsy'), compressie door tennisracket (paresthesieën radiale zijde wijsvinger), palmaire cellulitis, neurinoom v/d ulnair gelegen n. digitalis palmaris proprius v/d duim (`bowler's thumb', paresthesieën ulnaire zijde v/d duim), trauma (snij- of steekwond).

Diagnostiek
Eventueel palpatie neurinoom waarbij pijnlijke sensatie kan worden opgewekt.

Therapie
Compressie vermijden, eventueel bij neurinoom: perineurolysis, bij trauma: exploratie . N.B. Bij permanente uitval kan men orthopedische ingrepen overwegen (athrodese, tenodese of peestransposities).

Neuropathie n. ulnaris (C8-T1)
Innerveert m. flexor carpi ulnaris, m. digitorum profundus, m. palmaris brevis, m. opponens pollicis, m. flexor pollicis brevis (caput profundum), m. adductor pollicis, mm. lumbricalis (III et IV), m. abductor digiti minimi, m. flexor digiti minimi brevis, m. opponens digiti minimi, mm. interossei dorsales (III et IV), mm. interossei palmares (III et IV).

 Terug naar boven

Klinisch beeld

  • bij een laesie i/h verloop v/d zenuw kan een `klauwhand' ontstaan; door paralyse mm. interossei zijn de vingers (m.n. wijs- en middelvinger) gehyperextendeerd i/d metacarpophalengeale gewrichten en licht geflecteerd i/d interphalangeale gewrichten, de ringvinger e/d pink zijn verder licht geabduceerd, de duim is vaak gehyperextendeerd i/h metacarpophalangeale gewricht door paralyse v/d m. abductor pollicis brevis (`signe de Jeanne'), atrofie m.n. i/d eerste interossale ruimte en eminentia hypothenare, verder is het gevoel zowel dorsaal als palmair verminderd a/d ulnaire zijde v/d ringvinger e/d pink
  • bij een laesie v/d ramus profundus t.h.v. de pols ontstaat een zuiver motorisch beeld; atrofie v/d eerste interossale ruimte zonder atrofie v/d eminentia hypothenare en geen gevoelsstoornissen
  • bij een distale laesie in de onderarm en pols zijn de m. flexor carpi ulnaris en m. digitorum profundus gespaard evenals de sensibiliteit

Dus 3 typen:

  1. zuiver motorisch (ramus profundus)
  2. zuiver sensibel (ramus superficialis) en
  3. een gemengd type (distale drukneuropathie, vaak voorkomend bij wielrenners)

A. Sensibiliteitsverlies bij laesie proximaal van de aftakking van de ramus cutaneus dorsalis:


B. Sensibiliteitsverlies bij laesie distaal van de aftakking van de ramus cutaneus dorsalis maar proximaal van de aftakking van de ramus cutaneus palmaris:

C. Sensibiliteitsverlies bij laesie distaal van de aftakking van de ramus cutaneus palmaris:

Afbeeldingen: Aids to the examination of the peripheral nervous system, W.B. Saunders, 2000

 Terug naar boven

Oorzaken
Weergegeven in tabel 19.16.2.

Tabel 19.8: Oorzaken n. ulnaris letsel
- trauma: steek- en snijverwonding, zelden door avulsie van het caput laterale v/d m. triceps, fractuur epicondylus medialis, soms supracondylair humurusfractuur, ulna- of radiusfractuur
- secundaire paralyse door veranderde structuur na een elleboogfractuur kan weken tot maanden later ontstaan
- soms (tientallen) jaren na een fractuur kan een `spätneuritis' of `tardieve ulnaropathie' ontstaan, maar ook arthrose, chondromatose of een ganglion kan een oorzaak zijn
- compressie: zelden door een processus supracondylaris v/d humerus, aneurysma v/d a. brachialis
- meestal t.g.v. compressie t.h.v. elleboog (sulcus ulnaris) (steunen op de elleboog; `studentenhouding', bedlegerigheid (vaak a/d zijde waar het nachtkastje zich bevindt), operatie (anesthesie- of operatiehouding), perineuraal hematoom, ganglion
- compressie bij de intrede in de m. flexor carpi ulnaris ('humeroulnar arcade'), bij de uittrede uit deze spier of distaal door een aneurysma v/d a. ulnaris
- soms compressie t.h.v. het kanaal van Guyon waarbij er v/d zwakte intrinsieke handspieren is en de sensibiliteitsuitval minder uitgebreid of afwezig is, door een: directe druk bij wielrenners, langdurig computergebruik, ganglion, abnormaal verlopende a. ulnaris, weke delen tumor, carpometacarpale dislokatie, sesambotje, diabetes mellitus, Colles' fractuur, fibrose v/d aponeurose, abnormale m. anconeus epitrochlearis, of idiopathisch (`syndrome de la loge de Guyon')
- dislokatie v/d n. ulnaris uit de sulcus ulnaris (komt vaak voor: ongeveer 4% v/d populatie, maar blijft meestal asymptomatisch), geeft vaak klachten als er ook compressie is
- `cubital tunnel syndrome' door herhaalde flexie-extensie bewegingen in bepaalde beroepen (repetitive strain injury)
- laesie v/d dorsale tak door trauma, te strak horlogebandje of handboeien kan een sensibiliteitsstoornis a/d ulnaire zijde v/d hand en in de twee ulnaire vinger tot het eerste interphalangeale gewricht geven
- zeer zelden t.g.v. lepra, ischemie bij endocarditis of radiotherapie v/d elleboog

N.B. n. ulnaris neuropathie kan de spieren in de onderarm sparen, zodat het patroon dan eerder een letsel in de pols suggereert.

Differentiaal diagnose
Onderste plexuslaesie, radiculopathie C8-T1, voorhoorncelziekten, intramedulaire processen zoals syringomyelie of tumoren.

Diagnostiek
Abductie en adductie v/d vingers (uitgezonderd de middelvinger) is ook bij een totale ulnarislaesie nog enigszins mogelijk. Teken van Froment (onwillekeurig gebruiken v/d m. flexor pollicus longus (n. medianus) bij vastgrijpen v/e papier tussen duim en wijsvinger door zwakte v/d m. adductor pollicus (n. ulnaris)) is bij ulnaris-zwakte altijd aanwezig `signe de la chiquenaude' (door zwakte v/d m. interossei kan er geen krachtige plotse extensie v/d vinger(s) tegen de palm v/d arts plaatsvinden). Palpatie v/d sulcus ulnaris: (arts en patiënt zitten tegenover elkaar waarbij de laatste zijn arm flecteert in een echte hoek waarna de arts met zijn rechterhand de sulcus i/d rechterelleboog vanaf mediaal palpeert en vice versa). Soms een verdikte n. ulnaris palpabel i/d sulcus. Aangezien diagnostiek tussen proximale en distale laesie niet gemakkelijk is biedt het EMG uitkomst (eventueel `inching' en/of naald EMG) bij verdenking veranderde structuur v/d elleboog door b.v. trauma kan een X-elleboog behulpzaam zijn.

Therapie N. Ulnaris laesie
Bij laesies t.g.v. fracturen is de prognose goed, exploratie is zelden nodig, eventueel omlegging, zenuwnaad of omlegging naar de fossa cubita. Bij secundaire paralyse of 'spätneuritis' (tardieve ulnaropathie): exploratie met omlegging (duur tussen het voorgaande trauma en begin v/d symptomatologie is niet van belang). Bij ulnarisdislokatie: vermijden van compressie, `gel-pads' om de elleboog, flexie zoveel mogelijk vermijden (b.v. door 's nachts een kartonnen koker om de elleboog te schuiven), zelden is omlegging noodzakelijk. 'Cubital tunnel syndrome': staken beroepsmatige handelingen, zeer zelden exploratie met omlegging in andere gevallen vermijden van compressie, 'gelpad's voor de ellebogen of handschoenen met `pads' indien geen oorzaak gevonden wordt: expectatief, bij langer dan 3 maanden klachten en/of motorische uitval exploratie met omlegging of neurolyse. N.B. Bij permanente uitval kan men orthopedische ingrepen overwegen (athrodese, tenodese of peestransposities).

 Terug naar boven

Neuropathie n. iliohypogastricus (T12-L1)
Innerveert m. rectus abdominis, m. transversus abdominis, m. obliquus internus abdominis, m. obliquus externus abdominis).

Klinisch beeld
Aangezien bovengenoemde spieren ook geïnnerveerd worden door de nn. intercostales (VII-XII) en de n. ilioinguinalis zal een laesie van alleen de n. iliohypogastricus geen uitval van betekenis geven. Wanneer echter beide laatst genoemde zenuwen gelaedeerd worden (b.v. bij flank incissie) dan zal er unilaterale zwakte v/h onderste deel v/d buikwand optreden bij een laesie zal er een sensibiliteitsstoornis (en/of neuralgie) optreden i/d regio glutealis (ramus cutaneus lateralis) en in de regio boven de annulus inguinalis superficialis en de symphyse (ramus cutaneus medialis).

Oorzaken
Vaak iatrogeen (bij incideren t.b.v. nierextirpatie of inklemming bij het hechten v/e flank incissie) zelden t.g.v. compressie door een retroperitoneale tumor of paranephritisch proces. Soms compressie van de ramus cutaneus lateralis door compressie op de crista illiaca door strakke riem of broek (`jeans disease').

Diagnostiek
Om zwakte v/d mm. obliquus internus (et externus) abdominis aan te tonen laat men de patient zich vanuit een liggende positie met gestrekte benen oprichten door de schouders aan de testen zijde te laten heffen en de romp naar binnen te laten draaien indien geen compressie of iatrogene oorzaak vermoedt wordt: CT-bekken ter uitsluiting ruimte-innemend proces retroperitoneaal of i/h bekken.

Therapie
Behandeling ruimte-innemend proces of anders vermijden compressie (goede prognose).

 Terug naar boven

Neuropathie n. ilioinguinalis (T12-L1-L2)
Innerveert m. rectus abdominis, m. transversus abdominis, m. obliquus internus abdominis, m. obliquus externus abdominis).

Klinisch beeld
Aangezien bovengenoemde spieren ook geïnnerveerd worden door de nn. intercostales (VII-XII) en de n. iliohypogastricus zal een laesie van alleen de n. ilioinguinalis geen uitval van betekenis geven, wanneer echter beide laatst genoemde zenuwen gelaedeerd worden (b.v. bij flank incissie) dan zal er unilaterale zwakte v/h onderste deel v/d buikwand optreden. Tevens zullen sensibiliteitsstoornis rond het proximaal gelegen mediale deel v/d dij en rond de wortel v/d penis en scrotum (nn. scrotales anteriores) danwel mons pubis en labia majora (nn. labiales anteriores) ontstaan. Soms een ontstaat een neuralgie: het ilioinguinale syndroom (hevige pijn in de liezen bij rechtop staande patient welke afzakt bij lichte flexie en endorotatie v/d heup).

Oorzaken
Iatrogeen (door te hoog geplaatste intramusculaire injectie, post-operatief (b.v. bij incideren t.b.v. nierextirpatie of inklemming bij het hechten v/e flank incissie). Compressie t.p.v. penetratie door de m. transversus abdominis en m. obliquus internus abdominis; ilioinguinaal syndroom.

Diagnostiek
Om zwakte v/d mm. obliquus internus (et externus) abdominis aan te tonen laat men de patiënt zich vanuit een liggende positie met gestrekte benen oprichten door de schouders aan de testen zijde te laten heffen en de romp naar binnen te laten draaien.

Therapie
Direct post-operatief: exploratie om een mogelijke inklemming op te heffen, indien een post-operatieve neuralgie veel later ontstaat en bij het ilioinguinale syndroom: neurolyse.

 Terug naar boven

Neuropathie n. genitofemoralis (L1-L2)
Innerveert m. cremaster.

Klinisch beeld

  • afwezige cremaster-reflex
  • sensibiliteitsstoornis i/h het proximaal gelegen mediale deel v/d dij (driehoek van Scarpa) (ramus femoralis) en scrotum (tunica vaginales testis) (ramus genitalis)
  • soms ontstaat een neuralgie: neuralgia spermatica

Oorzaken
Vaak post-operatief (b.v. bij een hernia inguinalis operatie) door directe laedering.

Therapie
Neurolyse of bij neuralgia spermatica: resectie v/d zenuw proximaal v/d laesie.

 Terug naar boven

Neuropathie n. cutaneus femoris lateralis (L2-L3)
Innerveert ventrolaterale deel van het bovenbeen (sensibele zenuw) Puur sensibele zenuw, de zenuw loopt onder het ligamentum inguinale door waar gemakkelijk compressie kan optreden. Klinisch beeld bekend als meralgia paraesthetica ("Meros-dij (Gr)).

Klinisch beeld
Sensibiliteitsstoornis (paraesthesieën tot anesthesie) en/of neuralgie (brandende pijn) v/h anterolaterale dijbeen. Aanvankelijk aanvalsgewijs aanwezig en vaak samenhangend met lang staan en verdwijnend met beweging v/h been (heupflexie). Men verdraagt tijdens een aanval nauwelijks overliggende kleding. Later kan een permanente anesthesie ontstaan. Vaak voorkomend op middelbare leeftijd en vaker bij mannen (3:1) en 10% zelfs bilateraal.

Afbeelding: Aids to the examination of the peripheral nervous system, W.B. Saunders, 2000

Oorzaken
Oorzaken van meralgia paraesthetica zijn weergegeven in Tabel 19.9.

Oorzaken n. meralgia paraesthetica

- iatrogeen na een heupoperatie, tractie-therapie, blindedarmoperatie, keizersnede of beenmergbiopsie traumata b.v. bekkenfractuur, fractuur v/d spina iliaca anterior superior
- metabole neuropathie bij diabetes mellitus
- compressie t.h.v. ligamentum inguinale door adipositas, ascites, graviditeit, dragen v/e sleutelbos of portemonnee i/d voorste broekzak, nauwsluitende riemen, broeken of corset, of in buikligging op een harde ondergrond
- proximaal gelegen compressie door retroperitoneale of bekkentumor
- toename van tractie door langdurig lopen, staan of veelvuldig in- en uitstappen uit een auto, langdurig met de benen gekruist zitten of bij sporten zoals schaatsen
- zeer zelden familiar voorkomen (autosomaal dominant)

Differentiaal diagnose
Coxarthrose, radiculopathie L3-L4, diabetische amyotrofie.

 Terug naar boven

Diagnostiek
Sensibiliteitsverlies van alle modaliteiten in een circumscript gebied op het anterolaterale dijbeen. Vaak provocatie door palpatie (bij 2/3) en hyperextensie i/h heupgewricht (omgekeerde Lasègue). Eventueel EMG bij differentiatie met een radiculopathie. Indien geen compressie of iatrogene oorzaak vermoed wordt: CT-bekken ter uitsluiting ruimte-innemend proces retroperitoneaal of i/h bekken.

Therapie
Behandeling ruimte-innemend proces of anders vermijden compressie (25% heeft geen klachten na enkele maanden tot jaren). Eventueel injectie van 5-10 ml lidocaine (met eventueel een corticosteroiden) ongeveer 2 cm mediaal distaal v/d spina iliaca anterior superior (kan ook als diagnosticum worden gebruikt). Pijnbehandeling zoals bij neuralgieën gebruikelijk: zie hiervoor de therapie bij neuropathie n. intercostalis. Neurolyse eventueel met transpositie bij voortdurende klachten.

Neuropathie n. femoralis (L1-L4)
Innerveert m. iliopsoas, m. pectineus, m. sartorius, m. quadriceps femoris.

Klinisch beeld
Bij complete laesie: zwakte v/d heupflexoren (m. iliopsoas en m. sartorius), zwakte bij flexie v/d romp wat zichtbaar wordt tijdens het uit een liggende positie overeindkomen (m. iliopsoas). Bij zowel complete laesie als een laesie na de tak welke de m. iliopsoas innerveert: zwakte v/d knie-extensoren wat merkbaar is bij het beklimmen v/e trap terwijl bij het afdalen juist het aangedane been eerst gebruikt wordt (m. quadriceps femoris) (hierbij ook klinisch nauwelijks merkbare zwakte v/d m. sartorius en m. pectineus) . Tevens lage of afwezige kniepeesreflex en sensibiliteitsstoornis anterieure deel dij (ramus cuteanus anterior), anterieure en mediale deel knie (ramus infrapatellaris v/d n. saphenus) tot en met de mediale zijde onderbeen (rami cutanei cruris medialis v/d n. saphenus). Bij acuut ontstaan van pijn en bovenstaand beeld is er mogelijk sprake van een hematoom (`apoplectiforme neuralgie'). Een n. saphenus neuropathie' geeft pijn en zwaar gevoel i/h onderbeen welke toeneemt bij lopen en bij progressie leidt tot sensibiliteitsverlies v/d mediale zijde v/h onderbeen, soms ook gevoeligheid bij palpattie onderste een derde deel v/d dij (daar waar het de fascia penetreert) en pijn bij de omgekeerde Laseguè. Een `neuropathia patellae' of `gonalgia paraesthetica' is een chronische irritatie v/d r. infrapatellaris welke een neuralgie veroorzaakt mediaal en distaal v/d knie.

Afbeelding: Aids to the examination of the peripheral nervous system, W.B. Saunders, 2000

 Terug naar boven

Oorzaken neuropathie N. femoralis

Tabel 19.10: Oorzaken neuropathie N. femoralis

traumata zelden plots uitgevoerde heupextensie bij een ongeval of sportblessure, chronische en langdurig overstrekken v/d zenuw b.v bij acrobaten en dansers, soms bij schot- of steekverwonding, heupdislokatie, bekkenfractuur
iatrogeen na een angiografie via de lies, na inbrengen aorta-femorale prothese, zeer zelden na een intragluteale injectie, na een appendectomie, totale-heup operatie, herniorraphy, hysterectomie, compressie door een leunende assistent tijdens een operatie op de lies of door een spreider, lithotomie-positie, opereren v/e meniscus onder bloedleegte middels een tourniquet
compressie door exudaat v/e appendicitis, psoas-abces, psoashematoom, lieshematoom (meestal t.g.v. stollingsstoornissen, meest voorkomend bij gebruik orale anticoagulantia), retroperitoneaal gelegen maligne lymfoom, vals aneurysma v/d aorta abdominalis, aneurysma v/d a. femoralis, bursitis v/d heup
overige na een herpes-simplex of zoster infectie, neurinoom van L3, L4 of n. femoralis zelf (of een van zijn takken), na radio-therapie op de lies (b.v. bij seminoom), maligne infiltratie , `arthritic muscular atrophy'

Oorzaken laesie r. infrapatellaris
Iatrogeen: na meniscus-operatie (tot 6 maanden post-operatief), na varices-operatie, na plaatsing shunt tussen de a. femoralis en de v. saphena magna.

Oorzaken laesie n. saphenus
Meestal t.g.v. compressie i/h kanaal van Hunter (canalis adductorius) of irritatie bij phlebitis v/d v. saphena internus.

Differentiaal diagnose
Laesies wortels L3 of L4 door prolaps van de L2-3 of L3-4 disci, plexus-lumbosacralislaesie, diabetische amyotrofie, spierdystrofie, lipodystrofie na insuline-injecties, sarcoom proximale deel os femoris, ischemie v/d knie-extensoren bij diabetes mellitus, m. quadriceps femoris-contractuur na intramusculaire injecties, semi-circulaire lipodystrofie v/d m. quadriceps femoris door veelvuldig tegen tafel leunen.

Diagnostiek
Bij verdenking intra-abdominale oorzaken: X-bekken bij psoashematoom (afwezigheid begrenzing m. iliopsoas) of anders een CT-bekken. EMG met eventueel `inching' en/of naald EMG.

Therapie
Aangegeven in tabel 19.21.7.

Tabel 19.11: Therapie neuropathie n. femoralis

- bij traumatische laesie: exploratie met zenuwnaad
- post-operatief: exploratie (meetstal beklemming in hechting)
- indien permanente m. quadriceps femoris paralyse: transpositie v/d m. biceps femoris en m. semitendinous naar ventraal v/d patella om een goede knie-extensie mogelijk te maken
- n. saphenus neuropathie: lokale infiltratie met een corticosteroid of dissectie v/h kanaal van Hunter (canalis adductorius)
- bij iatrogene compressie: expectatief
- compressie door andere oorzaken: behandeling v/h comprimerende proces

 Terug naar boven

Neuropathie n. obturatorius (L2-L4)
Innerveert m. obturatorius externus, m. pectineus, m. adductor brevis, m. adductor longus, m. gracilis, m. adductor magnus.

Klinisch beeld
Zwakte v/d adductoren wat zich uit tijdens het lopen doordat het been tijdens de zwaaifase een sterke circumductie maakt (door overheersen abductoren). Afwezige adductor-reflex en sensibiliteitsstoornissen distaal en mediaal gelegen dijbeen en knie (ramus cutaneus). Bij `neuralgia obturatorius' of `fenomeen van Howship-Romberg': alleen pijn mediale zijde knie (ramus posterior) . Soms adductoren-spasme.

Afbeelding: Aids to the examination of the peripheral nervous system, W.B. Saunders, 2000

Oorzaken
Bekkenfractuur, tumor kleine bekken, metastase foramen obturatorius, hernia obturatorius, na verloskundige ingrepen, graviditeit, na lange wandeling bij adipositas (door hernia obturatorius), na heupoperaties, na urologische ingrepen door b.v. osteitis v/h os pubis. Adductoren-spasme: post-CVA of irritatie door onsteking.

Diagnostiek
Indien geen iatrogene oorzaak vermoedt wordt: CT-bekken ter uitsluiting ruimte-innemend proces retroperitoneaal of i/h bekken.

Therapie
Behandeling v/d primaire oorzaak, anders expectatief.

 Terug naar boven

Neuropathie n. gluteus superior (L4-S1)
Innerveert m. gluteus medius, m. gluteus minimus, m. tensor fasciae latae

Klinisch beeld
Zwakte van de m. tensor fasciae latae, m. gluteus medius en minimus wat zich in zwakte v/d heupabductoren waardoor het bekken voorwaarts kantelt tijdens het heffen v/h been (teken van Trendelenburg), sommigen compenseren dit door het hoofd en romp te verplaatsen naar dezelfde zijde wanneer het gewicht zich op de paretische zijde bevindt (teken van Duchenne). Zie voor oorzaken, differentiaal diagnose en Therapie: neuropathie n. gluteus inferior.

Neuropathie n. gluteus inferior (L5-S2)
Innerveert m. gluteus maximus

Klinisch beeld
Zwakte van de m. gluteus maximus wat zich uit in zwakte van heupextensie waardoor opstaan uit een stoel of een trap beklimmen niet lukt (zonder gebruik armen).

Oorzaken

  • traumata: schotwond, heupdislokatie
  • iatrogeen: intramusculaire injectie (bij 2/3 direct uitval na injectie, 1/6 direct pijn, bij 10% uitval na enkele uren)
  • overige: na bevalling, maligne infiltratie v/e eerder behandeld rectumcarcinoom, m. piriformis-hematoom

Differentiaal diagnose
Radiculopathie S1, limb-girdle-dystrofie, congenitale heupdislokatie, mononeuritis multiplex bij diabetes mellitus.

Therapie
Bij intramusculaire injectie paralyse: direct operatieve exploratie om `pockets' en adhesies te verwijderen. Bij traumata: exploratie met eventueel zenuwnaad. Bij permanente uitval orthopedische ingreep met transpositie overwegen.

 Terug naar boven

Neuropathie n. ischiadicus (L4-S3)
Innerveert mm. ischiocrurales: m. biceps femoris (caput longum), m. semitendinosus, m. semimembranosus, m. adductor magnus.

Klinisch beeld
Langste perifere zenuw welke zich uiteindelijk vertakt (tussen het foramen infrapiriformis en de fossa poplitea) in de n. tibialis en de n. peroneus communis. Deze sectie behandelt laesies tot deze bifurcatie, aangezien echter i/d n. ischiadicus de n. tibialis en n. peroneus communis al in gescheiden takken verlopen kan een laesie v/e tak uitval geven alsof hij deze aparte zenuw treft onder de bifurcatie. Van belang is dat het deel v/d n. peroneus communis boven de bifurcatie vaker gelaedeerd wordt dan die v/d n. tibialis (waarschijnlijk doordat de het peroneus deel, hoewel minder vezelbundels, meer vezels per bundel bevat). Bij een geïsoleerd peroneus- of tibialisletsel kan de oorzaak zich dus boven de bifurcatie vinden. Verder is er zwakte v/d ischiocrurale spiergroep wat klinisch niet tot uiting komt aangezien knieflexie mogelijk is via de m. sartorius en m. gracilis (respectievelijk n. femoralis en n. obturatorius). Tevens progressieve pijn en zwakte in beloop v/d zenuw.

Afbeelding: Aids to the examination of the peripheral nervous system, W.B. Saunders, 2000

Oorzaken
- traumata: schot- of snijverwonding, bekken- of femurfractuur (dislokatie fracturen of posterieure heupdislokatie -iatrogeen: na intramusculaire injectie (bij 75% direct uitval zonder pijn, bij 15% direct pijn, bij 10% parese na enkele uren tot dagen (meestal peroneustak)) heupathrodese, femurkopfractuur of totale heupprothese operatie (leidt m.n. tot uitval van peroneusvezels door compressie van spreiders of tractie v/d zenuw, echter compressie t.h.v. fibulakopje door ligging of combinaties zijn mogelijk), intraneuraal hematoom, na beenverlenging middels extensie-osteotomie -compressie: door hematoom (i/d mm. ischiocrurales of m. piriformis, meestal t.g.v. stollingsstoornissen, meest voorkomend bij gebruik orale anticoagulantia), door aneurysma (b.v. v/d a. glutaea inferior), door langdurig liggen op harde ondergrond, bedlegerigheid, langdurige (toilet)zit bij adipositas -compressie of ingroei van tumoren: Schwannoom (20%), neurofibroom (20%), neurofibrosarcoom (60%), zelden lipoom of occult sacraal gelegen meningocèle; -overige: indien cyclus-afhankelijk: endometriose met irritatie v/d zenuw, spierscheur (m. ischiocrurales, m. semitendinous), vasculitis.

Differentiaal diagnose
- 'piriformis syndroom': lokale zeer sterke pijn i/d regio glutaea -welke na trauma v/d billen ontstaat, de pijn straalt tijdelijk uit -naar het sacrum, heupgewricht en soms i/h been, bij onderzoek -circumscripte gevoeligheid i/d regio v/h foramen ischiadicum majus, -soms atrofie v/d gluteusmusculatuur, behandeling middels exploratie -en lysis van v/d adhesies en soms partiele excisie v/d -m. piriformis.

Diagnostiek
- EMG met eventueel `inching' en/of naald EMG -bij verdenking ruimte-innemend proces (na hoogtebepaling via EMG): CT of MRI v/h been of bekken -n. suralis biopt bij verdenking vasculitis -bij differentiatie injectie-paralyse van radiculopathie: anhidrose v/d voetzool geeft aan dat de laesie buiten de wervelkolom ligt (vastleggen middels ninhydrine-test).

 Terug naar boven

Therapie
- bij dislokatie fractuur: expectatief (meestal compressie), indien na 6 weken klinisch en elektrofysiologisch nog steeds een peroneusletsel toont dan exploratie -bij dislokatie fractuur met dislokatie v/h acetabulum: directe exploratie, zenuw vaak beklemd tussen gedislokeerde fragmenten -bij traumata: exploratie met zenuwnaad of inhechten auto-transplantaat -bij intramusculaire injectie paralyse: wanneer direct herkend: direct -50-100 ml NaCl 0,9% onder de m. gluteus maximus injecteren om ingespoten oplossing te verdunnen, binnen enkele dagen operatieve exploratie om `pockets' en adhesies te verwijderen -bij dysaesthesie?n: neurolyse -bij hematomen: expectatief (matige prognose) -bij compressie door of ingroei van tumor: excisie -bij endometriose: eventueel exploratie en salpingo-ovariectomie -bij spierscheur: eventueel excisie van de spier -bij compressie: expectatief, herstel kan zeer lang duren -bij permanente uitval: soms onderbeensamputatie (door vorming ulcera op de voetzool).

Neuropathie n. tibialis (L4-S3)
Innerveert m. soleus, m. gastrocnemius, m. plantaris, m. popliteus, m. tibialis posterior, m. flexor digitorum longus, m. flexor hallucis longus, m. adductor hallucis, m. flexor digitorum brevis, m. flexor hallucis brevis (caput mediale), mm. lumbricales (I et II), m. abductor digiti minimi, m. quadratus plantae, m. flexor digiti minimi brevis, m. opponens digiti minimi, m. interossei IV, m. lumbricales (II-IV), mm. interossei (I-III))

Klinisch beeld: algemeen
Een laesie van de n. tibialis kan ook veroorzaakt worden door laesie boven de bifurcatie (zie ook: neuropathie n. ischiadicus). Indien de laesie geleidelijk ontstaat zullen eerst sensibiliteitsstoornissen i/d voetzool worden opgemerkt. Indien de laesie zich voorbij de aftakking van de n. suralis bevindt zal het gevoel a/d laterale zijde van de voet en hiel intact blijven (evenals de m. soleus en m. gastrocnemius). Bij een laesie meer naar distaal zal er anhidrosis en hypaesthesie van de voetzool ontstaan en zullen de teenbuigers aangedaan zijn (soms ontstaat een `klauwvoet' doordat de distale teengewrichten naar plantair zijn geflecteerd en de proximale teengewrichten zijn geëxtendeerd). Soms pijn i/d fossa poplitea en bovenste deel van de kuit bij compressie i/d fossa poplitea welke verergert bij lopen.

Afbeelding: Aids to the examination of the peripheral nervous system, W.B. Saunders, 2000

Oorzaken neuropathie N. tibialis
  • traumata: schot- of snijverwonding, zelden bij dislokatie van de knie (vaak incomplete laesie, vaker de n. peroneus communis aangedaan), dislokatie bij een (proximale of distale) tibiafractuur, talus- mediale malleolus- of subtalare fractuur, perineuraal littekenweefsel na fractuur;
  • iatrogeen: na varicesfibrosering;
  • compressie in de fossa poplitea: bij repetitieve stappende bewegingen (pottenbakker, wevers), Bakerse cyste (geeft eerder compressie op de n. peroneus communis), zelden ganglion i/d fossa poplitea (vaker n. peroneus communis aangedaan), Schwannoom, aneurysma van de a. poplitea, soms fibreuze streng tussen de tibia en fibula.
 Terug naar boven

Diagnostiek
EMG met eventueel `inching' en/of naald EMG. Indien verdenking compressie in de fossa poplitea: echo of MRI van de fossa poplitea (soms ook positief teken van Tinel).

Therapie
Bij fractuur: vroege exploratie met eventueel zenuwnaad. Bij aangetoonde compressie i/d fossa poplitea: exploratie met vrij leggen of dissectie v/e aanwezige fibreuze streng.

tarsaal tunnel-syndroom
Compressie van de n. tibialis of een van zijn takken (nn. plantaris medialis et lateralis) t.h.v. de tarsale tunnel (gevormd door enkelskelet, flexor retinaculum en lig. laciniatum aan de mediale zijde van de voet) onaangename, brandende pijn of tintelingen i/d voetzool (toename bij lang staan of lopen, soms 's nachts optredend). Soms sensibiliteitsverlies voetzool, soms zwakte en atrofie intrinsieke voetspieren, dys- of anhidrosis. Soms provocatie door percussie op de tarsale tunnel, geforceerde pronatie van de voet of passieve hyperextensie. Kan bilateraal voorkomen.

Oorzaken
Idiopathisch, Pott's factuur (fractuur distale deel fibula en de mediale malleolus), enkel-distorsie, pseudoneuroom, ganglion, jicht, rheumatoide arthritis of soms een hypertrofische m. abductor hallucis.

Differentiaal diagnose
Erythromelalgia (brandende pijn met roodheid van de voeten, voet is warm en gezwollen, warmte en lopen geven de pijn, vaso-actieve stoffen lokken de klacht uit, soms thrombocytemie (aspirine geeft verlichting), vascuclitis, jicht, nierinsufficientie, diabetes mellitus of cryoglobulinemie).

Diagnostiek
EMG: verlengde sensibele en motorische DLT's, afgenomen CMAP's en SNAP's en denervatie i/d m. abductor hallucis of m. abductor digiti V kunnen voorkomen . Eventueel anhidrosis aantonen middels ninhydrine-test.

Therapie
Neurolyse of klieven retinaculum flexorum.

 Terug naar boven

Mortonse neuralgie (nn. digitales plantares communes III et IV)
Klinisch beeld
Schietende of brandende pijn voetzool m.n. bij de ossa metatarsalia III of IV vaak alleen bij lopen met roodheid, aanvankelijk alleen bij lopen, later constant aanwezig. Komt vaker bij vrouwen voor (80%) (`flat foot pain').

Oorzaak
Fusiforme (pseudo)neurinoom (meestal digiti III of IV).

Diagnostiek

  • provocatie door de ossa metatarsalia III of IV (of IV en V) tegen elkaar te drukken
  • indien een injectie met een anestheticum (b.v. procaine), welke geinjecteerd wordt tussen de m. plantaris a/d dorsale zijde van de metatarsalia III of IV de pijn direct doet verdwijnen bewijst dit de diagnose
  • eventueel EMG (stimuleren van de n. interdigitalis van de proximale phalanx met een naalelektrode en afleiden achter de mediale malleolus)

Therapie
Bij milde verschijnselen speciaal schoeisel waarbij voet achter de metatarsalia gesteund wordt, eventueel herhaaldelijke injecties met een anaestheticum en corticosteroid (hierbij is 80% na 2 jaar klachtenvrij) . Indien geen verbetering: excisie v/h neurinoom.

Neuropathie n. peroneus (L4-S2)
Innerveert: m. biceps femoris (caput brevis)) via n. peroneus superficialis m. peroneus longus, m. peroneus brevis via n. peroneus profundus (m. tibialis anterior, m. extensor digitorum longus, m. extensor hallucis longus, m. extensor digitorum brevis, m. extensor hallucis brevis.

Klinisch beeld neuropathie n. peroneus communis
Een laesie van de n. peroneus communis kan evt. ook veroorzaakt worden door laesie boven de bifurcatie (zie ook: neuropathie n. ischiadicus) . De zenuw loopt achter langs de fibulakop en is daar gevoelig voor compressie. De n. peroneus communis verdeelt zich onder het fibulakopje in de n. peroneus profundus met als opvallende uiting een voetheffersparese (verminderde dorsaalflexie (m. tibialis anterior) en tenen (m. extensor digitorum en m. extensor hallucis longus) en een klein gebied van sensibiliteitsverlies tussen digiti I en II) en de n. peroneus superficialis met als uiting een eversieparese (zwakte mm. peronei met verminderde eversie en uitgebreide gevoelsstoornissen, raakt de laterale voetrand eerder de grond. Bij pijn met later een paralyse: ganglion v/h tibiofibulare gewricht (komt op alle leeftijden voor, en vaker bij mannen dan bij vrouwen) Neuropathie peroneus communis komt in ongeveer 10% van de gevallen beiderzijds voor.

Sensibiliteitsverlies bij laesie van de n. peroneus communis:

Afbeelding: Aids to the examination of the peripheral nervous system, W.B. Saunders, 2000

Sensibiliteitsverlies bij laesie van de n. peroneus profundus:

Afbeelding: Aids to the examination of the peripheral nervous system, W.B. Saunders, 2000

 Terug naar boven

Oorzaken neuropathie n. per. communis
Traumata: fractuur fibulakop, val met verstuiking (inversie) van de enkel (geeft plotse tractie van de zenuw), dislokatie v/h knie-gewricht, ruptuur v/h ligamentum collaterale fibulare, hematoom i/d zenuwschede, rek van de zenuw bij sportblessure (tennis), na enkel-fractuur.
Iatrogeen: te strak gips of spalk, ligging gedurende operatie, bloeddrukmeting bij prematuren, na electroshocktherapie (door compressie of stomp trauma), na meniscus-operatie, na osteotomie van de tibia zonder gelijktijdige osteotomie van de fibula-compressie (t.h.v. het fibulakopje): bedlegerigheid (b.v. coma), met de knieën over elkaar of in gehurkte houding zitten (b.v. hovenier), adipeuzen die veel gewicht verliezen, spierbloeding, soms beklemming onder pezen van de m. peroneus longus, ganglion v/h tibiofibulare gewricht, Bakerse cyste (geeft eerder compressie op de n. peroneus communis), mucoid-cyste . Overige oorzaken zijn laesies v/h distale deel; denk aan strak schoeisel (o.a. klimschoenen of ski-boots), exostose v/h fibulakopje, osteochondroom, compressie bij diabetes mellitus, lipoom ischemie bij ergotamine-intoxicatie
.

Distale syndromen

Afbeelding: Aids to the examination of the peripheral nervous system, W.B. Saunders, 2000

Anterieure tarsale tunnel-syndroom
Klinisch beeld gekenmerkt door pijn en sensibiliteitsverlies i/d eerste interdigitale ruimte en i/d voetzool en zwakte van de m. extensorum digitorum brevis door compressie van de n. peroneus profundus onder het ligamentum cruciatum (ook wel retinaculum extensorum genoemd) (soms verergerd door het dragen van schoenen met hoge hakken) .

Sensibiliteitsverlies bij laesie van de n. peroneus profundus:

Afbeelding: Aids to the examination of the peripheral nervous system, W.B. Saunders, 2000

N. suralis neuropathie
Klinisch beeld gekenmerkt door pijn a/h laterale deel van de voet en in de regio van de laterale malleolus door compressie door een ganglion of bepaalde manier van veterbinding bij `kisten' (`Kamerad-Schnuerschuh syndroom').

Afbeelding: Aids to the examination of the peripheral nervous system, W.B. Saunders, 2000

N. cutaneus dorsalis intermedius neuropathie
Klinisch beeld gekenmerkt door pijn i/d voetzool m.n. lateraal door (traumatisch) neurinoom.

Differentiaaldiagnose
Radiculopathie L5, mononeuritis multiplex, beroerte, acuut compartiment-syndroom (pijn, zwelling en roodheid, soms afwezige pulsatie a. dorsalis pedis, soms bilateraal, oorzaak: oedeem door trombose, embolus of tetanie, Therapie klieven fascia), `shin-splint' ook wel chronische vorm v/h compartiment-syndroom (m.n. na lange mars, pijn en milde zwelling zakken af na staken inspanning).

 Terug naar boven

Diagnostiek
Soms zichtbare impressie van rand knie t.h.v. fibulakopje (door met de knieën over elkaar zitten). Indien verdenking compressie in de fossa poplitea: echo of MRI van de fossa poplitea (soms ook positief teken van Tinel) . EMG: aantonen vertraging over het fibulakopje, motorisch geleidingsonderzoek naar de voetheffers en van de voetrug (m. extensor digitorum brevis), naald-EMG (eventueel `inching').

Therapie
Bij traumata: exploratie met eventueel zenuwnaad (matige prognose). Bij compressie door cyste of ganglion: excisie hiervan, hierna goede prognose, recidieven komen voor. Bij compressie: goede prognose na wegname compromitterende factor. Bij ernstige zwakte eventuele peroneusveer (enkel-voet-orthese), vaak spontaan herstel bij wegnemen compressie . Bij permanente uitval orthopedische ingreep (arthrodese tenodese of peestranspositie) overwegen.

Neuropathie n. pudendus (S1-S4)
Klinisch beeld
Gevoelsstoornissen in scrotum, perineum. Bij bilateraal (soms unilateraal) aangedaan zijn: blaasledigingstoornissen (urine-retentie, later overloop-incontinentie), verminderde anale sphincter-spanning en potentiestoornissen.

Oorzaken
Compressie door tumor, zelden iatrogeen t.g.v. chirurgische ingrepen (direct door doorsnijding of door compressie durante operatie), m. piriformis-hematoom bij orale anticoagulantia gebruik (vaak in combinatie met n. ischiadicus en n. gluteus inferior neuropathie), compressie van takken i/h perineum bij wielrenners, stomp perineum trauma.

Diagnostiek
Indien geen compressie of iatrogene oorzaak vermoed wordt: CT-bekken ter uitsluiting ruimte-innemend proces i/h bekken.

Therapie
Vermijden compressie (goede prognose), tijdelijk staken orale anticoagulantia.

Neuropathie n. cutanaeus femoris posterior (S1-S3)
Klinisch beeld

Sensibiliteitsstoornis dorsale zijde bovenbeen tot aan de fossa poplitea (nn. clunium inferiores), scrotum (labia majora) en perineum (rr. perineales).

Afbeelding: Aids to the examination of the peripheral nervous system, W.B. Saunders, 2000

Oorzaken
Traumata: compressie bij val op perineum ; iatrogeen: na intramusculaire injectie ; overige: maligne infiltratie v/e eerder behandeld rectumcarcinoom (vaak samen met n. gluteus inferior).

Therapie
Bij intramusculaire injectie paralyse: exploratie overwegen, anders expectatief.

Pijnbehandeling
Behandelt aantal veel voorkomende pijnsyndromen.

 Terug naar boven

Trigeminusneuralgie
Meest frequente craniale neuralgie. Pijn meestal in het gebied van de tweede of derde tak; het meest in beide (40%). Presentatie alleen in de 1e tak is zeldzaam (2%). Spontane remissies komen voor. Vaak worden uiteindelijk de pijnperioden steeds langer en de remissies korter. Behandeling:

  • 1e keus: carbamazepine, geleidelijk te verhogen. Bij de meeste patiënten een goed effect bij 600-1200 mg dagdosering;
  • 2e keus bij intolerantie voor CBZ of recidief ondanks CBZ: difantoine (300 mg/dag; sommmigen doseren eerst hoger (500 mg/dag, en taperen vervolgens tot 300 mg/dag) of baclofen (30 mg/dag, tot 60 mg/dag);
  • chirurgie: percutane techniek of Janetta.

Postherpetische neuralgie
Eerste keus is amitryptiline (of nortritptyline), een tricyclisch antidepressivum. In patiënten met postherpetische neuralgie werken dergelijke middelen als analgetica, niet als antidepressiva! Het analgetisch effect treedt vaak op bij doseringen lager dan die voor het behandelen van een depressie, maar dit is niet altijd zo; soms is een änti-depressieve" dosering geïndiceerd, derhalve. De mediane dosis van amitryptiline bij de behandeling van de postherpetische neuralgie is 75 mg/dag. Sommige patiënten ervaren reeds analgetisch effect bij doseringen van 10-20 mg/dag. Antidepressieve doseringen zijn 75-150 mg/dag. Mechanisme niet geheel duidelijk. Bekend is dat re-uptake van de monoamine neurtransmitters wordt geblokkeerd (noradrenaline en serotonine). 60-70% van de patiënten reageert goed op amitryptiline. Begin met lage dosering (1dd 10 mg/dag a.n.) en bouw deze geleidelijk op. Leg uit aan de patiënt dat de pijn (vaak) niet geheel verdwijnt, maar draaglijk wordt. Leg ook uit dat deze middelen ook bij depressies worden gebruikt, en dan vaak in andere doseringen. De patiënt behoort dit niet pas thuis op de bijsluiter te lezen! Alternatief: Neurontin (gabapentin).

Polyneuropathie

Verschillende mogelijkheden zijn aangegeven in Tabel 20.1.

Tabel 20.1: Behandeling pijnklachten bij polyneuropathie.

amitriptyline start 10-25 mg a.n., per week geleidelijk ophogen tot max 150 mg
carbamazepine 2dd 100 mg, na 3 dagen ophogen naar 2dd 200 mg, daarna eventueel ophogen tot 3-4dd 200 mg
tramadol 3dd 50mg, eventueel ophogen naar 4dd 100 mg
lamotrigine en gabapentine effect nog niet aangetoond

Hoofdpijn
Zie hiervoor het betreffende hoofdstuk.

Pijn bij radiculaire prikkeling of syndroom
Behandelingsvoorstel is:

  • spierverslappers: Diazepam, 2-5 mg tot 3dd1;
  • analgetica: Naprosyne, Brufen, e.a.;
  • uitleg over het ziektebeeld (werkt regelmatig zeer analgetisch).
 Terug naar boven

Literatuur
Neuropathie n. facialis
1. Devriesse P.P. Perifere facialisverlamming. Uitgave van de afdeling KNO van het AMC; 1998
2. Grogan P.M., et al. Practise parameter: Steroïds, acyclovir, and surgery for Bell's palsy (an evidence based review) Neurology 2001; 56: 830-836
3. van der Sande J.J Het post-operatieve consult. In: Biemond cursus Consultatieve neurologie; 2000
4. Terng S.C.A.., et al. Aangemeten goudplaatje in het bovenste ooglid bij patiënten met aangezichtsverlamming: verbeterde oogsluiting, minder effect op andere oogklachten. NTVG 2000; 144: 800-804
Neuropathie n. accessorius
de Visser M., et al. Neuromusculaire ziekten 1999; blz. 115
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions. 1991; blz. 203-207
Neuropathie n. phrenicus
de Visser M., et al. Neuromusculaire ziekten 1999; blz. 115
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions. 1991; blz. 207-209
Neuropathie n. scapularis dorsalis
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions. 1991; blz. 209-210
Neuropathie n. suprascapularis
de Visser M., et al. Neuromusculaire ziekten 1999; blz. 116
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions. 1991; blz. 210-213
Neuropathie n. subscapularis
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions. 1991; blz. 213-214
Neuropathie n. thoracicus longus
de Visser M., et al. Neuromusculaire ziekten 1999; blz. 116
Elders L.A.M., et al. Paralyse van de M. serratus anterior als beroepsziekte bij een steigerbouwer. NTVG 1999; 143: 474-477
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions. 1991; blz. 214-217
Neuropathie n. intercostalis
de Visser M., et al. Neuromusculaire ziekten 1999; blz. 116
Neuropathie n. thoracodorsalis
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions. 1991; blz. 217-218
Neuropathie n. pectoralis medialis et lateralis
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions. 1991; blz. 218-219
Neuropathie n. axilaris
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions. 1991; blz. 219-222
Neuropathie n. musculocutaneus
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions. 1991; blz. 222-224
Neuropathie n. radialis
de Visser M., et al. Neuromusculaire ziekten 1999; blz. 117
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions. 1991; blz. 224-234
Neuropathie n. medianus
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions. 1991; blz. 234-253
Rosenbaum R.B., et al. Carpal tunnel syndrome and other disorders of the median nerve. 1993
Neuropathie n. ulnaris
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions. 1991; blz. 253-268
Neuropathie n. iliohypogastricus
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions. 1991; blz. 297-298
Neuropathie ilioinguinalis
Mumenthaler M. Neurology. 1990; blz. 423/430
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions. 1991; blz. 298-299
Neuropathie n. genitofemoralis
Mumenthaler M. Neurology. 1990; blz. 423/430
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions. 1991; blz. 299
Neuropathie n. cutaneus femoris lateralis
Smid G.J., et al. Kleine kwalen in de huisartspraktijk: meralgia paresthetica. NTVG 1994; 138: 392-394
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions. 1991; blz. 300-303
Neuropathie n. femoralis
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions. 1991; blz. 303-310
Neuropathie n. obturatorius
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions. 1991; blz. 310-312
Neuropathie n. gluteus superior
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions. 1991; blz. 312
Neuropathie n. gluteus inferior
Mumenthaler M. Neurology. 1990; blz. 435-436
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions. 1991; blz. 312-315
Neuropathie n. ischiadicus
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions. 1991; blz. 315-329
Neuropathie n. tibialis
de Visser M., et al. Neuromusculaire ziekten 1999; blz. 122
Mastaglia F.M. Tibial nerve entrapment in the popliteal fossa. Muscle Nerve 2000; 23: 1883-1886
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions. 1991; blz. 329-332
Neuropathie n. peroneus communis
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions. 1991; blz. 332-337
Neuropathie n. pudendus
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions. 1991; blz. 337
Neuropathie n. cutaneus femoris posterior
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions. 1991; blz. 337/342

Eponiemen

N. thoracicus longus neuropathie:
Steinträgerlähmung
Rucksacklähmung
Hod carrier's palsy
Pack palsy

N. radialis neuropathie:
Saturday night palsy
Paralysie des ivrognes
Park bench palsy
Drummer's palsy
Prisoner's palsy

N. medianus neuropathie:
Lover's palsy
Paralysie du matin
Paralysie d'amour
Paralysie des amants
Oath hand
Preacher's hand
Bicyclists' palsy
Bowler's thumb

N. ulnaris neuropathie:
Weduwnaarspijn
Studentenelleboog
Klauwhand

N. iliohypogastricus (ramus cutaneus lateralis):
Jeans disease

N. cutaneus femoralis lateralis neuropathie:
Jeans disaese

N. suralis neuropathie:
Kamerad-Schnuerschuh syndroom

N. tibialis:
Klauwvoet
Flat foot pain

 Terug naar boven

Onderwerpen:

NeuroAIDS
Beroerte
Dementie
Overlijden, weefsel en orgaandonatie
Epilepsie
Guillain-Barré Syndroom
Hoofdpijn
Infecties van het centraal zenuwstelsel
Neuroborreliose
Multipele Sclerose
Myasthenia Gravis
Radiculaire prikkeling en syndromen
Neuro-oncologie
Subarachnoïdale bloeding
Cerebraal veneuze trombose (CVT)
Neurotraumatologie
Parkinsonisme
Polyneuropathieën
Mononeuropathieën
Neurologie voor Internisten

 Terug naar boven
Webmaster: DLJ Tavy, neuroloog, mail to DLJ Tavy. Aan de inhoud van deze site kunnen geen rechten worden ontleend. Copyright © 2004 Ziekenhuis Leyenburg. Den Haag.