Inleiding
De meeste mononeuropathiën worden veroorzaakt
door acute of chronische compressie. Zenuwcompressie
kan locale demyelinisatie veroorzaken en uiteindelijk
leiden tot axonale degeneratie. De dikste axonen
zijn het meest gevoelig voor compressie. Voor
het zenuwgeleidingsonderzoek is dit een gunstige
omstandigheid, want de diverse technieken geven
vrijwel uitsluitend informatie over de snelst
geleidende motorische en sensibele zenuwvezels.
Neuropathie n. facialis
(N. VII)
Innerveert mimische musculatuur.
Klinisch beeld
Zie hiervoor Tabel 19.1. Noteer ook hoeveel
millimeter de lidspleet geopend blijft bij maximale
contractie.
Tabel 19.1: Klinisch beeld N VII uitval
| - inspectie |
nasolabiale
plooi, mondmidden, mondhoek, oogleden (ptosis,
knipperen), lidspleet, tanden `laten zien',
ogen dicht laten knijpen, wenkbrauwen optrekken,
`verstreken' voorhoofd |
| - oogsluiting |
let op onderste
ooglid: moet actief aanspannen, soms fenomeen
van Bell |
| - begeleidend |
veranderde
smaak, hyperacusis (stapedius-reflex testen:
patiënt stethoscoop opzetten en een
stemvork vibrerend op membraan plaatsen,
indien aangedane zijde luider klinkt is
er hyperacusis; de n. facialis is dan proximaal
of t.h.v. het ganglion geniculatum gelaedeerd)
|
| - eventueel
Schirmer's test |
semikwantitatieve
maat voor veranderde traansecretie |
| - bij de parese
van Bell |
in 1 tot 24
uur optreden van een facialis-asymmetrie,
welke de eerste 7 dagen nog kan toenemen;
tevens in 40-50% van de patiënten gepaard
gaande met 1 tot 2 dagen voorafgaand aan
parese pijn rondom of achter het oor en/of
ook in de nek en in het achterhoofd (mogelijk
C2-C3 uitval), fonofobie, doofheid v/h gelaat
(uitval van sensibele vezels n. trigeminus;
Wellicht is hier dus sprake van een mononeuritis
van de hersenzenuwen, waarbij N VII op de
voorgrond staat), afname van traansecetie,
verlies van smaakgevoel in de tong, ophoping
van speeksel en onduidelijk spreken |
Oorzaken N VII uitval
Tabel 19.2: Oorzaken N. VII uitval
| 1. Infecties
|
herpes simplex
1 (parese van Bell), waterpokken, herpes
zoster oticus (syndroom van Ramsay-Hunt),
neuroborreliose (dubbelzijdig in 40-50%
gevallen, vaak andere neurologische afwijkingen
zoals pijnlijke radiculopathie v/d benen,
vaak kinderen), acute en chronische otitis
media (cholesteatoom), HIV, HTLV-1, bof,
rubella, mononucleosis, lepra, influenza,
Coxsackie, malaria, lues, tuberculose, gnathostomiasis,
mucormycose, 'maligne' otitis externa |
| 2. Traumata |
intra-uterien
(druk), geboortetrauma (forceps), schedelbasisfractuur,
aangezichtstrauma, trauma middenoor, barotrauma
|
| 3. Metabool
|
diabetes,
hyperthyreoidie, zwangerschap, porfyrie
|
| 4. Neoplasmata |
leukemie,
rhabdomyosarcoom, hemangioom, glomus, neurofibromatose,
meningeoom, Schwannoom, acusticusneurinoom,
hemangioblastoom, sarcoom, carcinoom, metastase
(mamma, seminoom), hydradenoom, adenoidcysteus
carcinoom, teratoom, histiocytosis, fibreuze
dysplasie, parotis-tumor |
| 5.
Intoxicaties |
thalidomide,
tetanus, difterie, CO, vincristine |
| 6.
Iatrogeen |
locaal
anestheticum, anti-tetanus-injectie, vaccinatie
tegen rabiës, immunisatie, complicatie
van operatie i.v.m. een brughoektumor, mastoidectomie
(meest frequent), parotidectomie, rhytidectomie
(face-lift), carotisendarteriectomie |
| 7.
Neurologische aandoeningen |
Mobius
(diplegie en uitval van andere craniale
zenuwen), Guillain-Barré? (m.n. bilateraal),
poliomyelitis (meestal bilateraal), meningitis,
encephalitis, neurofibromatose, metastase,
multipele sclerose, myasthenia gravis, vasculair,
tumor, dystrophia myotonica |
| 8.
Idiopathisch |
cardiofaciaal
syndroom, syndroom van Melkerson-Rosenthal
(multifocale granulomateuze angiitis), erfelijke
hypertrofische neuropathie, auto-immuunsyndromen,
arteritis temporalis, thrombocytopenische
purpura, periarteriitis nodosa, sarcoidose
(syndroom van Heerfordt (uveoparotitis)),
osteopetrose, Wegener granulomatosis |
Diagnostiek
Tabel 19.3: Diagnostiek N. VII uitval
| 1.
|
bij
klinisch onderzoek een parese van Bell:
bepalen serologie op lues en neuroborreliose,
tevens ter bepaling van de prognose een
magnetic evoked potential-onderzoek (MEP)
|
| 2.
|
bij
patiënten met in de voorgeschiedenis
een maligniteit altijd beeldvorming (MRI-hersenen)
en hierop volgend een liquorpunctie ter
bepaling evt. maligne cellen |
| 3.
|
verder
altijd aanvullend onderzoek (CT-hersenen,
lumbaal punctie) bij koorts, andere focale
afwijkingen, bilaterale facialisparese en
indien na 3-6 weken geen tekenen van herstel
gevonden worden |
| 4. |
bij
verdenking KNO-pathologie: consult KNO-arts
|
Therapie bij facialis uitval
Parese van Bell
Vaak treedt spontane verbetering op, 70% geneest
in 3-6 weken, 20% houdt restverschijnselen (abnormale
tranenvloed, myokymieën) en 10% hinderlijke
asymmetrieën (hemifacialis-spasme, contracturen)
en synkinesien (b.v. sluiten van oog bij lachen).
Hypromellose 0,3% o.g.t.t. voor overdag ( z.n.
1 druppel per uur) en horlogeglasverbanden (Pro-Ophta
S (Lohman) groot nr. 34229, klein nr. 34227)
ter voorkoming van keratitis Pathogenese: meest
waarschijnlijk reactivatie latent herpes simplex
virus type I
Binnen 72 uur starten met prednisolon 25 mg
2 dd. 1 tab. gedurende 10 dagen (20 tab.). N.B.
Toevoegen van valaciclovir (Zelitrex) is dus
niet nodig volgens recente grote trial.
(N.B. aanpassing door E.W. Peters t.o.v. oorspronkelijke
protocol)
Relatieve Contra-indicaties: diabetes mellitus,
ulcus, zwangerschap, virale infecties anders
dan Herpes Simplex, lever- en nierfunctiestoornis,
immuundeficiëntie.
In alle gevallen: hypromellose 0,3% oogdruppels
o.g.t.t. voor overdag ( z.n. 1 druppel per uur)
en horlogeglasverbanden (Pro-Ophta S (Lohman)
groot nr. 34229, klein nr. 34227) ter voorkoming
van keratitis.
Contra-indicaties: diabetes mellitus,
hypertensie, ulcus, zwangerschap, tuberculose,
virale infecties anders dan Herpes Simplex,
lever- en nierfunctiestoornis, immuundeficiëntie.
Herpes Zoster oticus (syndroom
van Ramsay-Hunt)
Tabel 19.4: Behandeling Herpes Zoster Oticus
| -
|
ICC KNO-arts
|
| - |
zo
snel mogelijk valaciclovir (Zelitrex ®)
500 mg 3 dd. 2 tab. voor 7 dagen (42 tab.)
|
| - |
contra-indicaties:
diabetes mellitus, hypertensie, ulcus, zwangerschap,
tuberculose, virale infecties anders dan
Herpes Simplex, lever- en nierfunctiestoornis,
immuundeficiëntie |
| - |
hypromellose
0,3% o.g.t.t. voor overdag ( z.n. 1 druppel
per uur) en horlogeglasverbanden (Pro-Ophta
S (Lohman) groot nr. 34229, klein nr. 34227
ter voorkoming van keratitis |
| - |
eventueel
pijnstilling en anti-emetica en Dermatol
poeder (strooitube) voor de huidlaesies
|
N.B. Differentiatie met de parese van Bell
is belangrijk vanwege de contra-indicatie van
prednison (bij toepassing alternatieve therapie):
huidlaesies: erytheem of blaasjes i/d oorschelp,
patiënt maakt zieke indruk (kan oorpijn,
hoofdpijn, duizeligheid, misselijkheid, tinnitus
en gehoorsvermindering hebben).
Post-operatieve N. VII uitval
In de eerste uren na de operatie kan de uitval
van de n. facialis nog berusten op het effect
van een locaal anestheticum, indien dit is gebruikt;
dit effect zal echter binnen enkele uren moeten
verdwijnen. Indien de uitval van de n. facialis
incompleet is, of eerst uren of dagen na de
operatie ontstaat, is de prognose waarschijnlijk
gunstig. Indien een complete uitval direct post-operatief
blijkt te bestaan, en de chirurg zegt de zenuw
goed te hebben kunnen identificeren en vervolgen
tijdens de operatie en deze intact te hebben
kunnen laten, kan re-exploratie uitgesteld worden,
zeker indien de zenuw 5 dagen later nog prikkelbaar
blijkt te zijn. Indien echter de complete laesie
blijft bestaan, wordt spoedige heroperatie aangeraden
om de continu?teit van de zenuw al dan niet
door een transplantaat te herstellen, alvorens
verlittekening identificatie van de normale
anatomische structuren onmogelijk maakt.
Lange termijn behandeling
N VII uitval
| 1. |
Psychosociale begeleiding
|
| 2. |
Plastische
chirurgie of implantatie goudplaatje in
bovenooglid (4) |
| 3. |
Mimetherapie
|
| 4. |
Botuline-toxine
bij hinderlijke spasme of synkinesieën
|
Neuropathie n. accessorius
(N. XI)
Innerveert M. trapezius en M. sternocleidomastoideus.
Klinisch beeld
Afhangende schouder, zwakte bij het heffen van
schouder en zijdelings heffen v/d bovenarm,
soms ook pijn in de schouder en later een verandering
in contour van nek en schouder, atrofie v/h
bovenste deel v/d m. trapezius. N.B.
1. Een paralyse v/h bovenste deel v/d m. trapezius
wordt vaak pas laat opgemerkt door de patiënt.
2. Paralyse v/d m. trapezius treedt alleen op
wanneer ook de innervatie vanuit C3-C4 verstoord
is.
Oorzaken
Tabel 19.5: Oorzaken uitval N XI
| - |
Proximale
laesie ruimte-innemende proces (RIP) v/d
schedelbasis of foramen magnum, schedelbasisfractuur
lopende tot i/h foramen magnum (syndroom
van Siebenman), fracturen v/d occipitale
condylus, neurinoom, anomalieën v/d
cranio-cervicale overgang, zelden carotisendarterectomie
|
| - |
Distale
laesie RIP zoals een lymfoom of hematoom
daar waar de zenuw de cervicale klieren
passeert, kleine ingrepen aan de nek (lymfklierbiopsie
of extirpatie v/e zwelling van andere herkomst),
zelden bij ingreep a/d vena jugularis interna
(catheterisatie), traumata of zelfs een
`zuigzoen' |
N.B. Bij een radicale nekdissectie is een laesie
voorzien en onherstelbaar.
Differentiaal diagnose
Plexus-brachialislaesie.
Diagnostiek
EMG m.n. ter differentiatie van een plexus-brachialislaesie.
Therapie neuropathie N XI
Tabel 19.6: therapie neuropathie N XI
| - |
bij
een hematoom of trauma is er meestal spontaan
herstel |
| - |
bij
complete laesie m.n. na iatrogeen letsel
wordt vroege exploratie aanbevolen |
| - |
i/d andere gevallen wordt het beloop enkele
maanden afgewacht, en wordt bij uitblijven
van herstel binnen 3 - 4 maanden alsnog
overgegaan tot exploratie, al bezigen anderen
een limiet van 6 maanden, en is ook na langere
tijd, tot 12 maanden, nog wel eens spontaan
herstel beschreven, exploratie is echter
mogelijk tot 2 jaar na het ontstaan |
| - |
indien
geen neurologisch herstel mogelijk is, kan
een orthopedische ingreep, de zogenaamde
gewijzigde Eden-Lange procedure, waarbij
de insertie van de m. levator scapulae en
de mm. rhombo?dei wordt aangepast, nog uitkomst
bieden bij jonge mensen die hoge eisen aan
hun schouderfunctie stellen |
Neuropathie n. phrenicus
(C3-C4 en soms ook C5)
Innerveert diafragma.
Klinisch beeld
Meest frequent zijn onderkwabs-atelectase en
hoogstand van een diaphragmahelft of paradoxaal
bewegen v/h diaphragma. N.B. De zenuw bevat
ook sensibele afferenten welke in de zogenaamde
Head-zones (zie afbeelding) pijn kunnen veroorzaken
(in dit geval C3-C4) t.g.v. aandoeningen van
lever, galblaas en pancreas.
Zones met gereferreerde pijn volgens Henry Head:

Afbeelding: Segmental innervation,
Thieme, 1962
Oorzaken
Traumata (b.v. dwarslaesie C4, of als onderdeel
v/e cervicale plexuslaesie), ingrepen i/d nek
(b.v. bij catheterisatie v/d v. jugularis interna,
supraclaviculaire plexus anesthesie), vaker
bij ingrepen i/d thorax, (b.v. thymectomie,
bij open hartoperatie (meestal betreft het in
het laatste geval een thermisch letsel van de
n. phrenicus sinister, door koeling van het
hart tijdens de operatie met ijswater)), maligne
tumoren (b.v. bronchuscarcinoom, lymfoom of
thymoom), soms ge?soleerd bij zuiver musculaire
aandoeningen zoals zure-maltase deficiëntie.
Differentiaal diagnose
Als onderdeel van myasthenia gravis, Lambert-Eaton,
Guillain-Barré?-syndroom, ALS, HMSN of
amyotrofe schouderneuralgie (dan ook variant
mogelijk met recidiverende geïsoleerde
en alternerende uitval).
Diagnostiek
- X-thorax (met laterale opname of doorlichting)
- echo v/h diaphragma
- EMG (hoewel geen van alle erg sensitief)
Therapie
Bij veel patiënten treedt herstel binnen
enkele maanden op.
Neuropathie n. scapularis
dorsalis (C3-C4-C5)
Innerveert mm. rhomboïdei en m. levator
scapulae.
Kinisch beeld
Alleen bij zeer slanken is een lichte verplaatsing
v/d scapula zichtbaar (lichte externe rotatie),
atrofie en paralyse worden pas zichtbaar wanneer
de patiënt, terwijl deze met zijn hand
op zijn heup staat, krachtig de elleboog naar
achteren tracht te drukken.
Oorzaken
Een geïsoleerde laesie is zeer zeldzaam
en wordt vaak veroorzaakt door kogel- of snijverwonding.
Differentiaal diagnose
Plexus-brachialislaesie.
Therapie
Aanleggen zenuwnaad of verplaatsing deel aanhechting
v/d m. latissimus dorsi naar de scapula.
Neuropathie n. suprascapularis
(C4-C6)
Innerveert m. supraspinatus en m. infraspinatus.
Klinisch beeld
Atrofie en zwakte v/d m. infraspinatus (zorgt
voor exorotatie v/d arm i/d schouder) en de
m. supraspinatus (zorgt voor begin (eerste 15
graden) v/d abductie i/h schoudergewricht),
soms ook pijn i/d schouder Praktisch gezien
kan een patiënt zich b.v. niet op het achterhoofd
krabben, hierdoor kan een patiënt uitval
jaren niet bemerken.
Oorzaken
Komt vaak voor bij volleyballers, tennissers
en slagwerkers door overbelasting (mogelijk
compressie i/d incisura scapulae b.v. door een
ganglion) of traumata (schouderdislokatie, kogel-
of snijverwonding).
Differentiaal diagnose
Peesrupturen van delen v/d rotatoren-cuff.
Therapie
Spontane genezing (slechts zelden is een zenuwnaad
of autotransplantaat noodzakelijk), een sport
hoeft niet te worden gestaakt, eventueel neurolyse
bij een ganglion.
Neuropathie n. subscapularis
(C5-C6)
Innerveert m. subscapularis en m. teres major
Klinisch beeld
Zwakte v/d m. subscapularis en m. teres major
waardoor rotatie van de gebogen arm voor de
borst minder krachtig is (compensatie door de
m. pectoralis major en m. latissimus dorsi);
praktisch gezien kan de patiënt zijn onderrug
niet krabben met de aangedane zijde. Atrofie
is door hun diepe ligging niet zichtbaar maar
wel palpabel i/d oksel wanneer vergeleken met
de andere zijde.
Differentiaal diagnose
Een geïsoleerde uitval is niet beschreven,
wel als onderdeel v/e plexus-brachialislaesie.
Therapie
Zowel een zenuwnaad als een orthopedische ingreep
zijn niet uitvoerbaar of van enigerlei nut.
Neuropathie n. thoracicus
longus (C5-C7)
Innerveert m. serratus anterior
Klinisch beeld
Zwakte v/d m. serratus anterior waardoor een
scapula alata (`winging') ontstaat (patiënt
met gestrekte armen tegen muur laten duwen),
soms een wat zeurderige pijn door onfysiologisch
gebruik v/d schouder. Komt meer bij mannen voor,
en vaker rechtszijdig.
Oorzaken
Compressie (bij b.v. dragen van een rugzak,
steigerbouwers, bandages), stomp trauma (wat
ook kan ontstaan na een elektrische schok),
amyotrofe plexusneuralgie, iatrogeen (injectie,
na verwijdering axillaire lymfklieren bij mastectomieën,
transaxillaire eerste rib excisies of thoracotomieën),
ook beschreven na pneumonie of andere infecties
(Rocky Mountain Spotted Fever, difterie, typhus).
Differentiaal diagnose
Fascioscapulohumerale spierdystrofie (kan debuteren
met unilaterale scapula alata).
Diagnostiek
EMG (normale geleidingssnelheid ligt rond de
67 m/s).
Therapie
De prognose is goed, compleet herstel kan 2
jaar vergen (uiteraard vermijden van compressie).
Indien geen neurologisch herstel mogelijk is,
kan een orthopedische ingreep uitkomst bieden
(aanhechten van deel van de m. pectoralis major
aan de scapula).
Neuropathie n. intercostalis
Innerveren intercostaalspieren.
Klinisch beeld
Paroxysmale pijnen met pijn bij aanraking i/h
betreffende huidgebied.
Oorzaken
Compressie van een dorsale wortel door tumoren,
ontstekingsprocessen van de wervels of wervelinzakkingen,
bij diabetes mellitus, na thoracotomie.
Therapie
Pijnbehandeling zoals bij neuralgieën gebruikelijk:
amitriptyline 25 mg per dag (dosis-afhankelijk
werkzaam waardoor opbouw tot 150 mg per dag
mogelijk is, analgetische werking in 1-7 dagen),
carbamazepine begindosering 200-400 mg per dag
(dosis-afhankelijk werkzaam waardoor opbouw
tot 1200 mg per dag (in 3-4 giften) mogelijk
is), gabapentine (900-1200 mg per dag (in drie
dagen opbouwen, dosis-afhankelijk werkzaam waardoor
opbouw tot 3600 mg per dag (in 3 giften) mogelijk
is), operatief ingrijpen geeft zeer matig resultaat.
Neuropathie n. thoracodorsalis
(C6-C8)
Innerveert m. latissimus dorsi, soms ook m.
teres major.
Klinisch beeld
Zwakte v/d m. latissimus dorsi waardoor krachtige
elevatie achter de rug van een gestrekte arm
met de handpalm naar achteren en hierbij naar
mediaal bewegen van de arm niet mogelijk is
(de patiënt ondervindt dus nauwelijks hinder).
Atrofie is duidelijk zichtbaar.
Differentiaal diagnose
Een geïsoleerde uitval is zeldzaam, wel
als onderdeel van een plexus-brachialislaesie.
Therapie
Een orthopedische ingreep is niet van enigerlei
nut.
Neuropathie n. pectoralis
medialis et lateralis (C5-T1)
Innerveert m. pectoralis major en m. pectoralis
minor.
Klinisch beeld
Zwakte van de m. pectoralis major en minor waardoor
de arm minder krachtig adduceert (adductie met
een i/d elleboog gebogen en licht geheven arm),
hierdoor is atrofie goed zichtbaar en palpabel.
Differentiaal diagnose
Een geïsoleerde uitval is zeldzaam, wel als
onderdeel van een plexus-brachialislaesie, congenitale
aplasie, progressieve spierdystrofieën van
de schoudergordel.
Therapie
Een orthopedische ingreep is niet van enigerlei
nut.
Neuropathie n. axilaris (C5-C6)
Innerveert m. deltoïdeus, m. teres minor).
Klinisch beeld
zwakte van de m. deltoideus en m. teres minor
waardoor anterieure elevatie en abductie v/d arm
is beperkt evenals exorotatie
uitgesproken atrofie v/d m. deltoïdeus
soms gevoelsstoornis in een klein deel laterale
zijde bovenarm (n. cutaneus brachii lateralis
superior).
Afbeelding: Aids to the examination
of the peripheral nervous system, W.B. Saunders,
2000
Oorzaken
Anterieure dislokatie v/d schouder, fractuur v/h
collum chirurgicum v/d humurus, compressie t.g.v.
het liggen op de arm, corset of gedurende anesthesie.
Differentiaal diagnose
Arthrogene oorzaken van deltoideus atrofie, frozen
shoulder, rotatoren-cuff ruptuur, spierdystrofie,
m. deltoideus-ruptuur (zeldzaam).
Therapie
- vaak spontaan herstel binnen zes weken
- indien herstel binnen 6 weken uitblijft: exploratie
met zenuwnaad of zenuwtransplantatie
- indien dit niet uitvoerbaar is kan bij partiele
deltoïdeus paralyse een transpositie v/e
spieraanhechting worden overwogen, bij complete
paralyse is dit weinig succesvol
Neuropathie n. musculocutaneus
(C6-C7)
innerveert (m. biceps brachii, m. coracobrachialis,
m. brachialis).
Klinisch beeld
- zwakte v/d m. biceps brachii en m. coracobrachialis
waardoor supinatie en anterieure elevatie is
verminderd, bij distaler gelegen laesies is
alleen de supinatie verminderd
- gevoelsstoornis aan de radiale zijde van de
onderarm (n. cutaneus antebrachii lateralis),
echter door anastomoses met de sensibele takken
v/d n. radialis zijn deze vaak beperkt
- zeer zelden geïsoleerd aangedaan
Afbeelding: Aids to the examination
of the peripheral nervous system, W.B. Saunders,
2000
Oorzaken
Meestal traumata (steek- kogel- of snijverwonding),
zelden zonder voorafgaand trauma (na zware training
of plotse retroflexie v/e gedeeltelijk geabduceerde
arm), iatrogeen (chirurgie v/e recidiverende schouderdislokatie,
compressie door strak verband bij een claviculafractuur,
na anesthesie), zeer zelden t.g.v. compressie.
Differentiaal diagnose
Ruptuur van de pees v/h caput longum v/d m. biceps
brachii, zelden als onderdeel v/e plexus-brachialislaesie.
Therapie
Bij traumatische laesie: zenuwnaad (de n. musculocutaneus
heeft de beste prognose van alle perifere zenuwen
voor regeneratie) . Indien irreversibele schade:
spiervervanging met b.v. de m. latissimus dorsi.
Neuropathie n. radialis (C5-T1)
Innerveert m. triceps brachii, m. anconeus, m.
brachioradialis, m. extensor carpi radialis longus
et brevis, m. supinator, m. extensor carpi ulnaris,
m. extensor digitorum, m. extensor digiti minimi,
m. abductor pollicus longus, m. extensor pollicus
longus et brevis, m. extensor indicis en soms
m. brachialis.
Klinisch beeld
- Zwakte v/d m. triceps brachii waardoor extensie-zwakte
v/d elleboog optreedt .
- Tevens gevoelsstoornis a/d laterale zijde
v/d bovenarm (n. cutaneus brachii posterior)
welke beperkt is door anastomosen met n. cutaneus
medialis).
Afbeelding: Aids to the examination
of the peripheral nervous system, W.B. Saunders,
2000
Oorzaken proximale laesies
n. radialis
Bij een laesie in de bovenarm ontstaat een `dropping
hand' of soms alleen `dropping fingers' (soms
ook een oedemateuze zwelling a/d dorsale zijde
v/d hand de z.g. zwelling van Gubler waarvan de
etiologie niet bekend is). Daarnaast gevoelsstoornissen
a/d radiuszijde distaal a/d onderarm (n. cutaneus
antebrachii posterior) en klein gebied v/d handrug.
Tevens ontbreekt zwakte op v/d m. triceps brachii
. De meest voorkomende oorzaak is t.g.v. de humerus-schachtfractuur.
Andere oorzaken waarbij compressie van de zenuw
tegen de humerus: tijdens de slaap (m.n. alcoholici
die in slaap vallen met de arm over de rug v/d
stoel: `Saturday night palsy'), bij immobiel liggenden
(b.v. Parkinson-patiënten, comateuzen (soms
bilateraal)), iatrogeen: compressie gedurende
anesthesie, bij neonaten soms t.g.v. continue
bloeddrukmeting, zelden t.g.v. injecties of venapuncties,
soms i/h kader v/e erfelijke drukneuropathie (waarbij
m.n. de n. radialis is aangedaan).
Supinator-syndroom
ook wel interosseus-posterior syndroom Hierbij
is sprake van een laesie v/d zenuw waar deze door
de m. supinator passeert. Er is pijn in de onderarm
(soms ook elleboog), zwakte v/d vinger-extensoren
(in begin m.n. v/d m. extensor digiti minimi)
en m. extensor carpi ulnaris (partiële `wrist
drop' met radiale deviatie) . Soms gevoelsstoornis
alleen dorsaal over de eerste m. interossei ruimte.
Oorzaken zijn traumata (steek- en snijverwonding),
dislokatie v/h radius-kopje, soms t.g.v. Monteggia-fractuur
(ulna fractuur met dislokatie v/h radius-kopje),
iatrogeen t.g.v. injectie, compressie door lipoom,
dynamische compressie t.g.v. fibreuze band i/d
m. supinator tijdens beweging (vaak bij musici
(dirigenten, pianisten en gitaristen)).
Distale laesies n. radialis
Individuele spieren vertonen uitval met gevoelsstoornissen
in kleine gebieden zoals cheiralgia paresthetica
(gevoelsstoornis radiale zijde ]v/d duim met dysaesthesie
t.g.v. compressie door b.v. gebruik v/e schaar)
Oorzaken zijn compressie door b.v. dragen van
handboeien (`prisoner's palsy' ) of t.g.v. langdurig
gebruik van bepaalde gereedschappen (b.v. schaar),
iatrogeen na aanleggen v/e shunt (a. radialis
en v. cephalica) . Als geïsoleerd symptoom
bij lood-intoxicatie (b.v. bij schilders, drukkers
of arbeider die accu's vervaardigen). Overig:
zenuwtumor of ganglion-cyste.
Differentiaal diagnose
Centrale paralyse, radiculopathie C7, distale
spierdystrofie, spinale spierdystrofie, snapping
fingers, contractuur van Volkmann, polyarthritis.
Diagnostiek n. radialis uitval
Kliniek en EMG. Bij progressie: na hoogtebepaling
middels EMG, eventueel bij verdenking supinator-syndroom:
X-foto of CT om b.v. een lipoom aan te tonen.
Therapie n. radialis uitval
Dit is weergegeven in Tabel 19.7
Tabel 19.7: Therapie n. radialis uitval
| humerus-schachtfractuur |
bij
direct ontstaan tijdens fractuur (door directe
contussie) expectatief (tenzij i.v.m. de fractuur
operatief moet worden ingegrepen: dan exploratie).
Indien na 3 maanden geen progressie in het
herstel plaatsvindt en re-innervatie niet
middels EMG aangetoond kan worden: exploratie.
Indien na dagen tot weken een radialis-uitval
optreedt: direct exploratie |
| traumata
in de onderarm |
zenuwnaad
worden overwogen (matige prognose) |
| compressie
|
expectatief,
goede prognose, herstel begint binnen enkele
dagen |
| supinator-syndroom |
exploratie
en excisie lipoom of fibreuze band |
| permanente
uitval |
palliatief
middels spalk of chirurgisch door spieraanhechting
transposities |
Neuropathie n. medianus (C5-T1)
Innerveert m. pronator teres, m. pronator quadratus,
m. flexor carpi radialis, m. palmaris longus,
m. flexor digitorum superficialis, m. flexor digitorum
profundus (II et III), m. flexor pollicis longus,
m. flexor pollicis brevis (caput superficiale),
m. abductor pollicis longus et brevis, m. opponens
pollicis, mm. lumbricalis (I et II).
Klinisch beeld
Bij laesie i/d axilla, bovenarm of elleboog :
zwakte v/d vingerflexoren behalve die door de
n. ulnaris worden verzorgd waardoor een z.g. `oath'
of `preacher's hand' ontstaat . Oorzaken v/e partieel
n. medianus laesie: Iatrogeen (na vena- en arteriepunctie
of injectie i/d fossa cubita, vorming vals aneurysma
na catheterisatie v/d a. cubiti.
Oorzaken laesie i/d axilla
Iatrogeen t.g.v. puncties (b.v. bij angiocardiografie
of axillair-blok anesthesie).
Oorzaken laesie i/d bovenarm
Soms humerus-schachtfractuur, soms compressie
tegen de humerus tijdens de slaap, iatrogeen (ingrepen
onder bloedleegte), fractuur v/d processus supracondylaris
v/d humerus die bij slechts 1% aanwezig is (soms
ook irritatie hiervan), compressie door het ligament
van Struther (band tussen de processus supracondylaris
en epicondylis medialis).
Oorzaken laesie i/d elleboog
Fractuur distale deel v/d humerus (m.n. supracondylaire
hyperextensie trauma's met veel dislokatie), compressie
tussen de humerus en de ulna na repositie van
een gedislokeerde elleboog, soms zelfs jaren na
elleboogfractuur.
Therapie
Indien aanwezig: resectie v/h ligament van Struther
. Expectatief bij supracondylaire fractuur gezien
goede prognose, maar indien geen tekenen van herstel
na 5-6 maanden moet exploratie volgen.
Pronator teres-syndroom
Inklemming n. medianus tussen de koppen v/d m.
pronator teres m.n. bij extensie v/d arm, onder
een harde kap bij extensie v/d arm, onder een
harde aponeurose v/d m. biceps brachii of onder
een fibreuze band v/d m. flexor digitorum superficialis.
Klinisch beeld
- pijn in de onderarm en soms uitstraling naar
de radiale zijde v/d hand (digiti I t/m III
en handpalm) zonder nachtelijke klachten, gestoorde
pincetgreep, soms flexiekramp van digiti I en
II, soms gevoelsstoornissen ulnaire zijde duim
en radiale zijde digitus II
- zwakte v/d m. flexor pollicis brevis en m.
abductor pollicis brevis, soms ook zwakte m.
opponens pollicis
- provocatie door krachtige en herhaalde pronatie
v/ onderarm, extensie v/d elleboog en flexie
van digiti I en II
- soms lokale drukpijn t.p.v. de m. pronator
teres
Afbeelding: Aids to the examination
of the peripheral nervous system, W.B. Saunders,
2000
Syndroom van Kiloh-Nevin (n.
interosseus anterior syndroom)
De n. interosseus anterior is een motore zenuwtak
v/d n. medianus.
Klinisch beeld
Zwakte v/d m. flexor digitorum profundus (II et
II) , m. flexor pollicis longus en m. pronator
quadratus waardoor men niet de eindphalanx v/d
duim, wijs- en soms ook middelvinger kan buigen
(men kan geen pincetgreep uitvoeren of een mooie
ronde ' O' maken met digiti I en II, z.g. `pinch
sign').
Oorzaken
Fractuur v/d onderarm, zelden compressie t.g.v.
fibreuze band, idiopathisch.
Differentiaal diagnose
Radiculopathie C7-C8.
Therapie n. medianus (behalve
CTS)
Bij traumata en iatrogene laesies: exploratie
en eventueel een zenuwnaad (bij laesie ontstaan
na injectie: expectatief, mogelijk schade door
injectie-vloeistof) Bij progressie kan middels
EMG vertraagde geleiding v/d n. medianus en denervatie
v/d door de n. interosseus anterior geïnnerveerde
spieren aangetoond worden en exploratie v/d m.
pronator teres worden overwogen . In alle andere
gevallen: expectatief.
Laesie n. medianus t.h.v.
pols (exclusief CTS)
Zwakte v/d m. abductor pollicis longus waardoor
volledig abductie v/d duim niet meer mogelijk
(ontstaat z.g. 'bottle sign'), in later stadium
atrofie . Tevens zwakte v/d m. opponens pollicis
waardoor opponeren niet meer mogelijk is.
Oorzaken
Traumata (steek- en snijverwonding), soms radiusfractuur,
soms dislokatie ossa carpalia, iatrogeen na polsfixatie
in flexiestand of repositie-pogingen, zeer zelden
compressie door dragen van handboeien of armbanden.
Carpaal tunnelsyndroom (CTS)
Compressie n. medianus onder het ligamentum carpi
transversum (ook wel flexor retinaculum).
Klinisch beeld
- brachialgia paresthetica nocturna ('s nachts
wakker worden van pijn, wapperen met hand laat
klachten verdwijnen)
- paraesthesieën vaak in alle vingers en
pijn kan zelfs in de gehele arm tot aan de nek
worden gevoeld
- soms bij besturen fiets of auto
- gevoelsstoornis v/d duimtop en palmaire zijde
wijs- en middelvinger
- zwakte v/d m. abductor pollicus brevis en
m. opponens pollicus waardoor topje duim niet
goed op pink te plaatsen is of te behouden
- soms atrofie v/d eminentia thenare
- zelden vasomotore uiting zoals fenomeen van
Raynaud
- vaak initieel unilateraal en dan meestal rechtszijdig,
later bilateraal
- prevalentie: 1 op 1000, vaker bij vrouwen
(verhouding man-vrouw, 0,6 tegen 6
Afbeelding: Aids to the examination
of the peripheral nervous system, W.B. Saunders,
2000
Oorzaken
- idiopathisch
- verandering v/d carpale tunnel
door: congenitale anomalie, traumata (Colles'
fractuur, fractuur ossa carpalia, doorn, glasscherf),
hematoom bij gebruik orale anticoagulantia of
stollingsziekten, getromboseerde arterie
- bindweefselziekten: tenosynovitis
(repetitive strain injury), tendomyopathie,
verdikking peesschede bij `snapping finger',
rheumatoïde arthritis, sclerodermie, polymyalgia
rheumatica, systemische lupus erythematosus,
jicht (tophi), chondrocalcinosis, eosinophiele
fascitis,
- endocrinopathieën: diabetes
mellitus, hyper- of hypothyreoïdie, graviditeit,
gebruik van orale anticonceptie, acromegalie,
hyper- of hypoparythyreoïdie
- overige: amyloïdosis,
adipositas, infectie (o.a. neuroborreliose,
tuberculose, lepra), ganglion, lipoom, perineuraal,
angioom, congenitale arterioveneuze fistula,
Cimino-Brescia shunt t.b.v. hemodialyse, multipele
myeloma, mucopolysaccharidosis, beet v/e slang
- familiare vorm: zeer verdikt
ligamentum carpi transversum, erfelijke drukneuropathie
Differentiaal diagnose
Onderste plexuslaesie, radiculopathie C7-C8 en
soms T1.
Diagnostiek
- Provocatieproeven: onbetrouwbaar. Niet doen
dus (tijdverspilling).
- EMG: Sensibel en motorisch geleidingonderzoek
over de pols (soms ook naald EMG) waarbij geleidingsvertraging
over de carpale tunnel en soms denervatie duimmuis
wordt gevonden (soms worden hierbij anastomosen
gevonden tussen de n. medianus en ulnaris zoals
anastomose van Martin-Gruber)
- Lab. onderzoek: TSH, glucose en reumafactoren
(indien hiervoor geen aanwijzingen zijn is dit
niet noodzakelijk).
N.B. Bij lepra (M. Hansen) kan behalve huidafwijkingen
ook een verdikte n. medianus en ulnaris gepalpeerd
worden (lepramateuze neuritis). Soms oorzaak bij
immigranten.
Therapie
Oorzakelijke factor behandelen. Meestal echter
idiopathische. Dan:
- conservatief: vermijden bepaalde bewegingen,
nachtspalk en eventueel analgetica
- lokale corticosteroidinjectie (zonodig herhalen
na 3 maanden) 3. eventueel operatief klieven
ligamentum carpi transversum.
- primair operatief bij motorische uitval of
blijvende sensibiliteitsuitval of geleidingsvertraging
meer dan de helft van normaal
Laesie n. medianustakken
t.h.v. de handpalm
Klinisch beeld
Afhankelijk van laesie: zwakte v/d thenare spieren,
of zwakte v/d m. lumbricalis met atrofie of paresthesieën.
Oorzaak
Compressie palmair (b.v. wielrenners; `bicyclists'palsy'),
compressie door tennisracket (paresthesieën
radiale zijde wijsvinger), palmaire cellulitis,
neurinoom v/d ulnair gelegen n. digitalis palmaris
proprius v/d duim (`bowler's thumb', paresthesieën
ulnaire zijde v/d duim), trauma (snij- of steekwond).
Diagnostiek
Eventueel palpatie neurinoom waarbij pijnlijke
sensatie kan worden opgewekt.
Therapie
Compressie vermijden, eventueel bij neurinoom:
perineurolysis, bij trauma: exploratie . N.B.
Bij permanente uitval kan men orthopedische ingrepen
overwegen (athrodese, tenodese of peestransposities).
Neuropathie n. ulnaris (C8-T1)
Innerveert m. flexor carpi ulnaris, m. digitorum
profundus, m. palmaris brevis, m. opponens pollicis,
m. flexor pollicis brevis (caput profundum), m.
adductor pollicis, mm. lumbricalis (III et IV),
m. abductor digiti minimi, m. flexor digiti minimi
brevis, m. opponens digiti minimi, mm. interossei
dorsales (III et IV), mm. interossei palmares
(III et IV).
Klinisch beeld
- bij een laesie i/h verloop v/d zenuw kan een
`klauwhand' ontstaan; door paralyse mm. interossei
zijn de vingers (m.n. wijs- en middelvinger)
gehyperextendeerd i/d metacarpophalengeale gewrichten
en licht geflecteerd i/d interphalangeale gewrichten,
de ringvinger e/d pink zijn verder licht geabduceerd,
de duim is vaak gehyperextendeerd i/h metacarpophalangeale
gewricht door paralyse v/d m. abductor pollicis
brevis (`signe de Jeanne'), atrofie m.n. i/d
eerste interossale ruimte en eminentia hypothenare,
verder is het gevoel zowel dorsaal als palmair
verminderd a/d ulnaire zijde v/d ringvinger
e/d pink
- bij een laesie v/d ramus profundus t.h.v.
de pols ontstaat een zuiver motorisch beeld;
atrofie v/d eerste interossale ruimte zonder
atrofie v/d eminentia hypothenare en geen gevoelsstoornissen
- bij een distale laesie in de onderarm en pols
zijn de m. flexor carpi ulnaris en m. digitorum
profundus gespaard evenals de sensibiliteit
Dus 3 typen:
- zuiver motorisch (ramus profundus)
- zuiver sensibel (ramus superficialis) en
- een gemengd type (distale drukneuropathie,
vaak voorkomend bij wielrenners)
A. Sensibiliteitsverlies bij laesie proximaal
van de aftakking van de ramus cutaneus dorsalis:
B. Sensibiliteitsverlies bij laesie distaal van
de aftakking van de ramus cutaneus dorsalis maar
proximaal van de aftakking van de ramus cutaneus
palmaris:
C. Sensibiliteitsverlies bij laesie distaal
van de aftakking van de ramus cutaneus palmaris:
Afbeeldingen: Aids to the examination
of the peripheral nervous system, W.B. Saunders,
2000
Oorzaken
Weergegeven in tabel 19.16.2.
Tabel 19.8: Oorzaken n. ulnaris letsel
| - |
trauma:
steek- en snijverwonding, zelden door avulsie
van het caput laterale v/d m. triceps, fractuur
epicondylus medialis, soms supracondylair
humurusfractuur, ulna- of radiusfractuur |
| - |
secundaire
paralyse door veranderde structuur na een
elleboogfractuur kan weken tot maanden later
ontstaan |
| - |
soms
(tientallen) jaren na een fractuur kan een
`spätneuritis' of `tardieve ulnaropathie'
ontstaan, maar ook arthrose, chondromatose
of een ganglion kan een oorzaak zijn |
| - |
compressie:
zelden door een processus supracondylaris
v/d humerus, aneurysma v/d a. brachialis |
| - |
meestal
t.g.v. compressie t.h.v. elleboog (sulcus
ulnaris) (steunen op de elleboog; `studentenhouding',
bedlegerigheid (vaak a/d zijde waar het nachtkastje
zich bevindt), operatie (anesthesie- of operatiehouding),
perineuraal hematoom, ganglion |
| - |
compressie
bij de intrede in de m. flexor carpi ulnaris
('humeroulnar arcade'), bij de uittrede uit
deze spier of distaal door een aneurysma v/d
a. ulnaris |
| - |
soms
compressie t.h.v. het kanaal van Guyon waarbij
er v/d zwakte intrinsieke handspieren is en
de sensibiliteitsuitval minder uitgebreid
of afwezig is, door een: directe druk bij
wielrenners, langdurig computergebruik, ganglion,
abnormaal verlopende a. ulnaris, weke delen
tumor, carpometacarpale dislokatie, sesambotje,
diabetes mellitus, Colles' fractuur, fibrose
v/d aponeurose, abnormale m. anconeus epitrochlearis,
of idiopathisch (`syndrome de la loge de Guyon')
|
| - |
dislokatie
v/d n. ulnaris uit de sulcus ulnaris (komt
vaak voor: ongeveer 4% v/d populatie, maar
blijft meestal asymptomatisch), geeft vaak
klachten als er ook compressie is |
| - |
`cubital
tunnel syndrome' door herhaalde flexie-extensie
bewegingen in bepaalde beroepen (repetitive
strain injury) |
| - |
laesie
v/d dorsale tak door trauma, te strak horlogebandje
of handboeien kan een sensibiliteitsstoornis
a/d ulnaire zijde v/d hand en in de twee ulnaire
vinger tot het eerste interphalangeale gewricht
geven |
| - |
zeer
zelden t.g.v. lepra, ischemie bij endocarditis
of radiotherapie v/d elleboog |
N.B. n. ulnaris neuropathie kan de spieren in
de onderarm sparen, zodat het patroon dan eerder
een letsel in de pols suggereert.
Differentiaal diagnose
Onderste plexuslaesie, radiculopathie C8-T1, voorhoorncelziekten,
intramedulaire processen zoals syringomyelie of
tumoren.
Diagnostiek
Abductie en adductie v/d vingers (uitgezonderd
de middelvinger) is ook bij een totale ulnarislaesie
nog enigszins mogelijk. Teken van Froment (onwillekeurig
gebruiken v/d m. flexor pollicus longus (n. medianus)
bij vastgrijpen v/e papier tussen duim en wijsvinger
door zwakte v/d m. adductor pollicus (n. ulnaris))
is bij ulnaris-zwakte altijd aanwezig `signe de
la chiquenaude' (door zwakte v/d m. interossei
kan er geen krachtige plotse extensie v/d vinger(s)
tegen de palm v/d arts plaatsvinden). Palpatie
v/d sulcus ulnaris: (arts en patiënt zitten
tegenover elkaar waarbij de laatste zijn arm flecteert
in een echte hoek waarna de arts met zijn rechterhand
de sulcus i/d rechterelleboog vanaf mediaal palpeert
en vice versa). Soms een verdikte n. ulnaris palpabel
i/d sulcus. Aangezien diagnostiek tussen proximale
en distale laesie niet gemakkelijk is biedt het
EMG uitkomst (eventueel `inching' en/of naald
EMG) bij verdenking veranderde structuur v/d elleboog
door b.v. trauma kan een X-elleboog behulpzaam
zijn.
Therapie N. Ulnaris laesie
Bij laesies t.g.v. fracturen is de prognose
goed, exploratie is zelden nodig, eventueel omlegging,
zenuwnaad of omlegging naar de fossa cubita. Bij
secundaire paralyse of 'spätneuritis'
(tardieve ulnaropathie): exploratie met omlegging
(duur tussen het voorgaande trauma en begin v/d
symptomatologie is niet van belang). Bij ulnarisdislokatie:
vermijden van compressie, `gel-pads' om de elleboog,
flexie zoveel mogelijk vermijden (b.v. door 's
nachts een kartonnen koker om de elleboog te schuiven),
zelden is omlegging noodzakelijk. 'Cubital
tunnel syndrome': staken beroepsmatige handelingen,
zeer zelden exploratie met omlegging in andere
gevallen vermijden van compressie, 'gelpad's voor
de ellebogen of handschoenen met `pads' indien
geen oorzaak gevonden wordt: expectatief, bij
langer dan 3 maanden klachten en/of motorische
uitval exploratie met omlegging of neurolyse.
N.B. Bij permanente uitval kan men orthopedische
ingrepen overwegen (athrodese, tenodese of peestransposities).
Neuropathie n. iliohypogastricus
(T12-L1)
Innerveert m. rectus abdominis, m. transversus
abdominis, m. obliquus internus abdominis, m.
obliquus externus abdominis).
Klinisch beeld
Aangezien bovengenoemde spieren ook geïnnerveerd
worden door de nn. intercostales (VII-XII) en
de n. ilioinguinalis zal een laesie van alleen
de n. iliohypogastricus geen uitval van betekenis
geven. Wanneer echter beide laatst genoemde zenuwen
gelaedeerd worden (b.v. bij flank incissie) dan
zal er unilaterale zwakte v/h onderste deel v/d
buikwand optreden bij een laesie zal er een sensibiliteitsstoornis
(en/of neuralgie) optreden i/d regio glutealis
(ramus cutaneus lateralis) en in de regio boven
de annulus inguinalis superficialis en de symphyse
(ramus cutaneus medialis).
Oorzaken
Vaak iatrogeen (bij incideren t.b.v. nierextirpatie
of inklemming bij het hechten v/e flank incissie)
zelden t.g.v. compressie door een retroperitoneale
tumor of paranephritisch proces. Soms compressie
van de ramus cutaneus lateralis door compressie
op de crista illiaca door strakke riem of broek
(`jeans disease').
Diagnostiek
Om zwakte v/d mm. obliquus internus (et externus)
abdominis aan te tonen laat men de patient zich
vanuit een liggende positie met gestrekte benen
oprichten door de schouders aan de testen zijde
te laten heffen en de romp naar binnen te laten
draaien indien geen compressie of iatrogene oorzaak
vermoedt wordt: CT-bekken ter uitsluiting ruimte-innemend
proces retroperitoneaal of i/h bekken.
Therapie
Behandeling ruimte-innemend proces of anders vermijden
compressie (goede prognose).
Neuropathie n. ilioinguinalis
(T12-L1-L2)
Innerveert m. rectus abdominis, m. transversus
abdominis, m. obliquus internus abdominis, m.
obliquus externus abdominis).
Klinisch beeld
Aangezien bovengenoemde spieren ook geïnnerveerd
worden door de nn. intercostales (VII-XII) en
de n. iliohypogastricus zal een laesie van alleen
de n. ilioinguinalis geen uitval van betekenis
geven, wanneer echter beide laatst genoemde zenuwen
gelaedeerd worden (b.v. bij flank incissie) dan
zal er unilaterale zwakte v/h onderste deel v/d
buikwand optreden. Tevens zullen sensibiliteitsstoornis
rond het proximaal gelegen mediale deel v/d dij
en rond de wortel v/d penis en scrotum (nn. scrotales
anteriores) danwel mons pubis en labia majora
(nn. labiales anteriores) ontstaan. Soms een ontstaat
een neuralgie: het ilioinguinale syndroom (hevige
pijn in de liezen bij rechtop staande patient
welke afzakt bij lichte flexie en endorotatie
v/d heup).
Oorzaken
Iatrogeen (door te hoog geplaatste intramusculaire
injectie, post-operatief (b.v. bij incideren t.b.v.
nierextirpatie of inklemming bij het hechten v/e
flank incissie). Compressie t.p.v. penetratie
door de m. transversus abdominis en m. obliquus
internus abdominis; ilioinguinaal syndroom.
Diagnostiek
Om zwakte v/d mm. obliquus internus (et externus)
abdominis aan te tonen laat men de patiënt
zich vanuit een liggende positie met gestrekte
benen oprichten door de schouders aan de testen
zijde te laten heffen en de romp naar binnen te
laten draaien.
Therapie
Direct post-operatief: exploratie om een mogelijke
inklemming op te heffen, indien een post-operatieve
neuralgie veel later ontstaat en bij het ilioinguinale
syndroom: neurolyse.
Neuropathie n. genitofemoralis
(L1-L2)
Innerveert m. cremaster.
Klinisch beeld
- afwezige cremaster-reflex
- sensibiliteitsstoornis i/h het proximaal gelegen
mediale deel v/d dij (driehoek van Scarpa) (ramus
femoralis) en scrotum (tunica vaginales testis)
(ramus genitalis)
- soms ontstaat een neuralgie: neuralgia spermatica
Oorzaken
Vaak post-operatief (b.v. bij een hernia inguinalis
operatie) door directe laedering.
Therapie
Neurolyse of bij neuralgia spermatica: resectie
v/d zenuw proximaal v/d laesie.
Neuropathie n. cutaneus femoris
lateralis (L2-L3)
Innerveert ventrolaterale deel van het bovenbeen
(sensibele zenuw) Puur sensibele zenuw, de zenuw
loopt onder het ligamentum inguinale door waar
gemakkelijk compressie kan optreden. Klinisch
beeld bekend als meralgia paraesthetica ("Meros-dij
(Gr)).
Klinisch beeld
Sensibiliteitsstoornis (paraesthesieën tot
anesthesie) en/of neuralgie (brandende pijn) v/h
anterolaterale dijbeen. Aanvankelijk aanvalsgewijs
aanwezig en vaak samenhangend met lang staan en
verdwijnend met beweging v/h been (heupflexie).
Men verdraagt tijdens een aanval nauwelijks overliggende
kleding. Later kan een permanente anesthesie ontstaan.
Vaak voorkomend op middelbare leeftijd en vaker
bij mannen (3:1) en 10% zelfs bilateraal.
Afbeelding: Aids to the examination
of the peripheral nervous system, W.B. Saunders,
2000
Oorzaken
Oorzaken van meralgia paraesthetica zijn weergegeven
in Tabel 19.9.
Oorzaken n. meralgia paraesthetica
| - |
iatrogeen na een heupoperatie, tractie-therapie,
blindedarmoperatie, keizersnede of beenmergbiopsie
traumata b.v. bekkenfractuur, fractuur v/d
spina iliaca anterior superior |
| - |
metabole
neuropathie bij diabetes mellitus |
| - |
compressie
t.h.v. ligamentum inguinale door adipositas,
ascites, graviditeit, dragen v/e sleutelbos
of portemonnee i/d voorste broekzak, nauwsluitende
riemen, broeken of corset, of in buikligging
op een harde ondergrond |
| - |
proximaal
gelegen compressie door retroperitoneale of
bekkentumor |
| - |
toename
van tractie door langdurig lopen, staan of
veelvuldig in- en uitstappen uit een auto,
langdurig met de benen gekruist zitten of
bij sporten zoals schaatsen |
| - |
zeer
zelden familiar voorkomen (autosomaal dominant)
|
Differentiaal diagnose
Coxarthrose, radiculopathie L3-L4, diabetische
amyotrofie.
Diagnostiek
Sensibiliteitsverlies van alle modaliteiten in
een circumscript gebied op het anterolaterale
dijbeen. Vaak provocatie door palpatie (bij 2/3)
en hyperextensie i/h heupgewricht (omgekeerde
Lasègue). Eventueel EMG bij differentiatie
met een radiculopathie. Indien geen compressie
of iatrogene oorzaak vermoed wordt: CT-bekken
ter uitsluiting ruimte-innemend proces retroperitoneaal
of i/h bekken.
Therapie
Behandeling ruimte-innemend proces of anders vermijden
compressie (25% heeft geen klachten na enkele
maanden tot jaren). Eventueel injectie van 5-10
ml lidocaine (met eventueel een corticosteroiden)
ongeveer 2 cm mediaal distaal v/d spina iliaca
anterior superior (kan ook als diagnosticum worden
gebruikt). Pijnbehandeling zoals bij neuralgieën
gebruikelijk: zie hiervoor de therapie bij neuropathie
n. intercostalis. Neurolyse eventueel met transpositie
bij voortdurende klachten.
Neuropathie n. femoralis
(L1-L4)
Innerveert m. iliopsoas, m. pectineus, m. sartorius,
m. quadriceps femoris.
Klinisch beeld
Bij complete laesie: zwakte v/d heupflexoren (m.
iliopsoas en m. sartorius), zwakte bij flexie
v/d romp wat zichtbaar wordt tijdens het uit een
liggende positie overeindkomen (m. iliopsoas).
Bij zowel complete laesie als een laesie na de
tak welke de m. iliopsoas innerveert: zwakte v/d
knie-extensoren wat merkbaar is bij het beklimmen
v/e trap terwijl bij het afdalen juist het aangedane
been eerst gebruikt wordt (m. quadriceps femoris)
(hierbij ook klinisch nauwelijks merkbare zwakte
v/d m. sartorius en m. pectineus) . Tevens lage
of afwezige kniepeesreflex en sensibiliteitsstoornis
anterieure deel dij (ramus cuteanus anterior),
anterieure en mediale deel knie (ramus infrapatellaris
v/d n. saphenus) tot en met de mediale zijde onderbeen
(rami cutanei cruris medialis v/d n. saphenus).
Bij acuut ontstaan van pijn en bovenstaand beeld
is er mogelijk sprake van een hematoom (`apoplectiforme
neuralgie'). Een n. saphenus neuropathie' geeft
pijn en zwaar gevoel i/h onderbeen welke toeneemt
bij lopen en bij progressie leidt tot sensibiliteitsverlies
v/d mediale zijde v/h onderbeen, soms ook gevoeligheid
bij palpattie onderste een derde deel v/d dij
(daar waar het de fascia penetreert) en pijn bij
de omgekeerde Laseguè. Een `neuropathia
patellae' of `gonalgia paraesthetica' is een chronische
irritatie v/d r. infrapatellaris welke een neuralgie
veroorzaakt mediaal en distaal v/d knie.
 |
Afbeelding: Aids to the examination
of the peripheral nervous system, W.B. Saunders,
2000
Oorzaken neuropathie N. femoralis
Tabel 19.10: Oorzaken neuropathie N. femoralis
| traumata |
zelden
plots uitgevoerde heupextensie bij een ongeval
of sportblessure, chronische en langdurig
overstrekken v/d zenuw b.v bij acrobaten en
dansers, soms bij schot- of steekverwonding,
heupdislokatie, bekkenfractuur |
| iatrogeen |
na
een angiografie via de lies, na inbrengen
aorta-femorale prothese, zeer zelden na een
intragluteale injectie, na een appendectomie,
totale-heup operatie, herniorraphy, hysterectomie,
compressie door een leunende assistent tijdens
een operatie op de lies of door een spreider,
lithotomie-positie, opereren v/e meniscus
onder bloedleegte middels een tourniquet |
| compressie |
door
exudaat v/e appendicitis, psoas-abces, psoashematoom,
lieshematoom (meestal t.g.v. stollingsstoornissen,
meest voorkomend bij gebruik orale anticoagulantia),
retroperitoneaal gelegen maligne lymfoom,
vals aneurysma v/d aorta abdominalis, aneurysma
v/d a. femoralis, bursitis v/d heup |
| overige |
na
een herpes-simplex of zoster infectie, neurinoom
van L3, L4 of n. femoralis zelf (of een van
zijn takken), na radio-therapie op de lies
(b.v. bij seminoom), maligne infiltratie ,
`arthritic muscular atrophy' |
Oorzaken laesie r. infrapatellaris
Iatrogeen: na meniscus-operatie (tot 6 maanden
post-operatief), na varices-operatie, na plaatsing
shunt tussen de a. femoralis en de v. saphena
magna.
Oorzaken laesie n. saphenus
Meestal t.g.v. compressie i/h kanaal van Hunter
(canalis adductorius) of irritatie bij phlebitis
v/d v. saphena internus.
Differentiaal diagnose
Laesies wortels L3 of L4 door prolaps van de L2-3
of L3-4 disci, plexus-lumbosacralislaesie, diabetische
amyotrofie, spierdystrofie, lipodystrofie na insuline-injecties,
sarcoom proximale deel os femoris, ischemie v/d
knie-extensoren bij diabetes mellitus, m. quadriceps
femoris-contractuur na intramusculaire injecties,
semi-circulaire lipodystrofie v/d m. quadriceps
femoris door veelvuldig tegen tafel leunen.
Diagnostiek
Bij verdenking intra-abdominale oorzaken: X-bekken
bij psoashematoom (afwezigheid begrenzing m. iliopsoas)
of anders een CT-bekken. EMG met eventueel `inching'
en/of naald EMG.
Therapie
Aangegeven in tabel 19.21.7.
Tabel 19.11: Therapie neuropathie n. femoralis
| - |
bij
traumatische laesie: exploratie met zenuwnaad
|
| - |
post-operatief:
exploratie (meetstal beklemming in hechting)
|
| - |
indien
permanente m. quadriceps femoris paralyse:
transpositie v/d m. biceps femoris en m. semitendinous
naar ventraal v/d patella om een goede knie-extensie
mogelijk te maken |
| - |
n.
saphenus neuropathie: lokale infiltratie met
een corticosteroid of dissectie v/h kanaal
van Hunter (canalis adductorius) |
| - |
bij
iatrogene compressie: expectatief |
| - |
compressie
door andere oorzaken: behandeling v/h comprimerende
proces |
Neuropathie n. obturatorius
(L2-L4)
Innerveert m. obturatorius externus, m. pectineus,
m. adductor brevis, m. adductor longus, m. gracilis,
m. adductor magnus.
Klinisch beeld
Zwakte v/d adductoren wat zich uit tijdens het
lopen doordat het been tijdens de zwaaifase een
sterke circumductie maakt (door overheersen abductoren).
Afwezige adductor-reflex en sensibiliteitsstoornissen
distaal en mediaal gelegen dijbeen en knie (ramus
cutaneus). Bij `neuralgia obturatorius' of `fenomeen
van Howship-Romberg': alleen pijn mediale zijde
knie (ramus posterior) . Soms adductoren-spasme.
Afbeelding: Aids to the examination
of the peripheral nervous system, W.B. Saunders,
2000
Oorzaken
Bekkenfractuur, tumor kleine bekken, metastase foramen
obturatorius, hernia obturatorius, na verloskundige
ingrepen, graviditeit, na lange wandeling bij adipositas
(door hernia obturatorius), na heupoperaties, na
urologische ingrepen door b.v. osteitis v/h os pubis.
Adductoren-spasme: post-CVA of irritatie door onsteking.
Diagnostiek
Indien geen iatrogene oorzaak vermoedt wordt:
CT-bekken ter uitsluiting ruimte-innemend proces
retroperitoneaal of i/h bekken.
Therapie
Behandeling v/d primaire oorzaak, anders expectatief.
Neuropathie n. gluteus superior
(L4-S1)
Innerveert m. gluteus medius, m. gluteus minimus,
m. tensor fasciae latae
Klinisch beeld
Zwakte van de m. tensor fasciae latae, m. gluteus
medius en minimus wat zich in zwakte v/d heupabductoren
waardoor het bekken voorwaarts kantelt tijdens
het heffen v/h been (teken van Trendelenburg),
sommigen compenseren dit door het hoofd en romp
te verplaatsen naar dezelfde zijde wanneer het
gewicht zich op de paretische zijde bevindt (teken
van Duchenne). Zie voor oorzaken, differentiaal
diagnose en Therapie: neuropathie n. gluteus
inferior.
Neuropathie n. gluteus inferior
(L5-S2)
Innerveert m. gluteus maximus
Klinisch beeld
Zwakte van de m. gluteus maximus wat zich uit
in zwakte van heupextensie waardoor opstaan uit
een stoel of een trap beklimmen niet lukt (zonder
gebruik armen).
Oorzaken
- traumata: schotwond, heupdislokatie
- iatrogeen: intramusculaire injectie (bij 2/3
direct uitval na injectie, 1/6 direct pijn,
bij 10% uitval na enkele uren)
- overige: na bevalling, maligne infiltratie
v/e eerder behandeld rectumcarcinoom, m. piriformis-hematoom
Differentiaal diagnose
Radiculopathie S1, limb-girdle-dystrofie, congenitale
heupdislokatie, mononeuritis multiplex bij diabetes
mellitus.
Therapie
Bij intramusculaire injectie paralyse: direct
operatieve exploratie om `pockets' en adhesies
te verwijderen. Bij traumata: exploratie met eventueel
zenuwnaad. Bij permanente uitval orthopedische
ingreep met transpositie overwegen.
Neuropathie n. ischiadicus
(L4-S3)
Innerveert mm. ischiocrurales: m. biceps femoris
(caput longum), m. semitendinosus, m. semimembranosus,
m. adductor magnus.
Klinisch beeld
Langste perifere zenuw welke zich uiteindelijk
vertakt (tussen het foramen infrapiriformis en
de fossa poplitea) in de n. tibialis en de n.
peroneus communis. Deze sectie behandelt laesies
tot deze bifurcatie, aangezien echter i/d n. ischiadicus
de n. tibialis en n. peroneus communis al in gescheiden
takken verlopen kan een laesie v/e tak uitval
geven alsof hij deze aparte zenuw treft onder
de bifurcatie. Van belang is dat het deel v/d
n. peroneus communis boven de bifurcatie vaker
gelaedeerd wordt dan die v/d n. tibialis (waarschijnlijk
doordat de het peroneus deel, hoewel minder vezelbundels,
meer vezels per bundel bevat). Bij een geïsoleerd
peroneus- of tibialisletsel kan de oorzaak zich
dus boven de bifurcatie vinden. Verder is er zwakte
v/d ischiocrurale spiergroep wat klinisch niet
tot uiting komt aangezien knieflexie mogelijk
is via de m. sartorius en m. gracilis (respectievelijk
n. femoralis en n. obturatorius). Tevens progressieve
pijn en zwakte in beloop v/d zenuw.
 |
Afbeelding: Aids to the examination
of the peripheral nervous system, W.B. Saunders,
2000
Oorzaken
- traumata: schot- of snijverwonding, bekken- of
femurfractuur (dislokatie fracturen of posterieure
heupdislokatie -iatrogeen: na intramusculaire injectie
(bij 75% direct uitval zonder pijn, bij 15% direct
pijn, bij 10% parese na enkele uren tot dagen (meestal
peroneustak)) heupathrodese, femurkopfractuur of
totale heupprothese operatie (leidt m.n. tot uitval
van peroneusvezels door compressie van spreiders
of tractie v/d zenuw, echter compressie t.h.v. fibulakopje
door ligging of combinaties zijn mogelijk), intraneuraal
hematoom, na beenverlenging middels extensie-osteotomie
-compressie: door hematoom (i/d mm. ischiocrurales
of m. piriformis, meestal t.g.v. stollingsstoornissen,
meest voorkomend bij gebruik orale anticoagulantia),
door aneurysma (b.v. v/d a. glutaea inferior), door
langdurig liggen op harde ondergrond, bedlegerigheid,
langdurige (toilet)zit bij adipositas -compressie
of ingroei van tumoren: Schwannoom (20%), neurofibroom
(20%), neurofibrosarcoom (60%), zelden lipoom of
occult sacraal gelegen meningocèle; -overige:
indien cyclus-afhankelijk: endometriose met irritatie
v/d zenuw, spierscheur (m. ischiocrurales, m. semitendinous),
vasculitis.
Differentiaal
diagnose
- 'piriformis syndroom': lokale zeer sterke pijn
i/d regio glutaea -welke na trauma v/d billen
ontstaat, de pijn straalt tijdelijk uit -naar
het sacrum, heupgewricht en soms i/h been, bij
onderzoek -circumscripte gevoeligheid i/d regio
v/h foramen ischiadicum majus, -soms atrofie v/d
gluteusmusculatuur, behandeling middels exploratie
-en lysis van v/d adhesies en soms partiele excisie
v/d -m. piriformis.
Diagnostiek
- EMG met eventueel `inching' en/of naald EMG
-bij verdenking ruimte-innemend proces (na hoogtebepaling
via EMG): CT of MRI v/h been of bekken -n. suralis
biopt bij verdenking vasculitis -bij differentiatie
injectie-paralyse van radiculopathie: anhidrose
v/d voetzool geeft aan dat de laesie buiten de
wervelkolom ligt (vastleggen middels ninhydrine-test).
Therapie
- bij dislokatie fractuur: expectatief (meestal
compressie), indien na 6 weken klinisch en elektrofysiologisch
nog steeds een peroneusletsel toont dan exploratie
-bij dislokatie fractuur met dislokatie v/h acetabulum:
directe exploratie, zenuw vaak beklemd tussen
gedislokeerde fragmenten -bij traumata: exploratie
met zenuwnaad of inhechten auto-transplantaat
-bij intramusculaire injectie paralyse: wanneer
direct herkend: direct -50-100 ml NaCl 0,9% onder
de m. gluteus maximus injecteren om ingespoten
oplossing te verdunnen, binnen enkele dagen operatieve
exploratie om `pockets' en adhesies te verwijderen
-bij dysaesthesie?n: neurolyse -bij hematomen:
expectatief (matige prognose) -bij compressie
door of ingroei van tumor: excisie -bij endometriose:
eventueel exploratie en salpingo-ovariectomie
-bij spierscheur: eventueel excisie van de spier
-bij compressie: expectatief, herstel kan zeer
lang duren -bij permanente uitval: soms onderbeensamputatie
(door vorming ulcera op de voetzool).
Neuropathie
n. tibialis (L4-S3)
Innerveert m. soleus, m. gastrocnemius, m. plantaris,
m. popliteus, m. tibialis posterior, m. flexor
digitorum longus, m. flexor hallucis longus, m.
adductor hallucis, m. flexor digitorum brevis,
m. flexor hallucis brevis (caput mediale), mm.
lumbricales (I et II), m. abductor digiti minimi,
m. quadratus plantae, m. flexor digiti minimi
brevis, m. opponens digiti minimi, m. interossei
IV, m. lumbricales (II-IV), mm. interossei (I-III))
Klinisch
beeld: algemeen
Een laesie van de n. tibialis kan ook veroorzaakt
worden door laesie boven de bifurcatie (zie ook:
neuropathie n. ischiadicus). Indien de laesie
geleidelijk ontstaat zullen eerst sensibiliteitsstoornissen
i/d voetzool worden opgemerkt. Indien de laesie
zich voorbij de aftakking van de n. suralis bevindt
zal het gevoel a/d laterale zijde van de voet
en hiel intact blijven (evenals de m. soleus en
m. gastrocnemius). Bij een laesie meer naar distaal
zal er anhidrosis en hypaesthesie van de voetzool
ontstaan en zullen de teenbuigers aangedaan zijn
(soms ontstaat een `klauwvoet' doordat de distale
teengewrichten naar plantair zijn geflecteerd
en de proximale teengewrichten zijn geëxtendeerd).
Soms pijn i/d fossa poplitea en bovenste deel
van de kuit bij compressie i/d fossa poplitea
welke verergert bij lopen.
Afbeelding: Aids to the examination
of the peripheral nervous system, W.B. Saunders,
2000
Oorzaken neuropathie N. tibialis
- traumata: schot- of snijverwonding, zelden
bij dislokatie van de knie (vaak incomplete
laesie, vaker de n. peroneus communis aangedaan),
dislokatie bij een (proximale of distale) tibiafractuur,
talus- mediale malleolus- of subtalare fractuur,
perineuraal littekenweefsel na fractuur;
- iatrogeen: na varicesfibrosering;
- compressie in de fossa poplitea: bij repetitieve
stappende bewegingen (pottenbakker, wevers),
Bakerse cyste (geeft eerder compressie op de
n. peroneus communis), zelden ganglion i/d fossa
poplitea (vaker n. peroneus communis aangedaan),
Schwannoom, aneurysma van de a. poplitea, soms
fibreuze streng tussen de tibia en fibula.
Diagnostiek
EMG met eventueel `inching' en/of naald EMG. Indien
verdenking compressie in de fossa poplitea: echo
of MRI van de fossa poplitea (soms ook positief
teken van Tinel).
Therapie
Bij fractuur: vroege exploratie met eventueel
zenuwnaad. Bij aangetoonde compressie i/d fossa
poplitea: exploratie met vrij leggen of dissectie
v/e aanwezige fibreuze streng.
tarsaal tunnel-syndroom
Compressie van de n. tibialis of een van zijn
takken (nn. plantaris medialis et lateralis) t.h.v.
de tarsale tunnel (gevormd door enkelskelet, flexor
retinaculum en lig. laciniatum aan de mediale
zijde van de voet) onaangename, brandende pijn
of tintelingen i/d voetzool (toename bij lang
staan of lopen, soms 's nachts optredend). Soms
sensibiliteitsverlies voetzool, soms zwakte en
atrofie intrinsieke voetspieren, dys- of anhidrosis.
Soms provocatie door percussie op de tarsale tunnel,
geforceerde pronatie van de voet of passieve hyperextensie.
Kan bilateraal voorkomen.
Oorzaken
Idiopathisch, Pott's factuur (fractuur distale
deel fibula en de mediale malleolus), enkel-distorsie,
pseudoneuroom, ganglion, jicht, rheumatoide arthritis
of soms een hypertrofische m. abductor hallucis.
Differentiaal diagnose
Erythromelalgia (brandende pijn met roodheid van
de voeten, voet is warm en gezwollen, warmte en
lopen geven de pijn, vaso-actieve stoffen lokken
de klacht uit, soms thrombocytemie (aspirine geeft
verlichting), vascuclitis, jicht, nierinsufficientie,
diabetes mellitus of cryoglobulinemie).
Diagnostiek
EMG: verlengde sensibele en motorische DLT's,
afgenomen CMAP's en SNAP's en denervatie i/d m.
abductor hallucis of m. abductor digiti V kunnen
voorkomen . Eventueel anhidrosis aantonen middels
ninhydrine-test.
Therapie
Neurolyse of klieven retinaculum flexorum.
Mortonse neuralgie (nn. digitales
plantares communes III et IV)
Klinisch beeld
Schietende of brandende pijn voetzool m.n. bij
de ossa metatarsalia III of IV vaak alleen bij
lopen met roodheid, aanvankelijk alleen bij lopen,
later constant aanwezig. Komt vaker bij vrouwen
voor (80%) (`flat foot pain').
Oorzaak
Fusiforme (pseudo)neurinoom (meestal digiti III
of IV).
Diagnostiek
- provocatie door de ossa metatarsalia III of
IV (of IV en V) tegen elkaar te drukken
- indien een injectie met een anestheticum (b.v.
procaine), welke geinjecteerd wordt tussen de
m. plantaris a/d dorsale zijde van de metatarsalia
III of IV de pijn direct doet verdwijnen bewijst
dit de diagnose
- eventueel EMG (stimuleren van de n. interdigitalis
van de proximale phalanx met een naalelektrode
en afleiden achter de mediale malleolus)
Therapie
Bij milde verschijnselen speciaal schoeisel waarbij
voet achter de metatarsalia gesteund wordt, eventueel
herhaaldelijke injecties met een anaestheticum
en corticosteroid (hierbij is 80% na 2 jaar klachtenvrij)
. Indien geen verbetering: excisie v/h neurinoom.
Neuropathie n. peroneus (L4-S2)
Innerveert: m. biceps femoris (caput brevis))
via n. peroneus superficialis m. peroneus longus,
m. peroneus brevis via n. peroneus profundus (m.
tibialis anterior, m. extensor digitorum longus,
m. extensor hallucis longus, m. extensor digitorum
brevis, m. extensor hallucis brevis.
Klinisch beeld neuropathie
n. peroneus communis
Een laesie van de n. peroneus communis kan evt.
ook veroorzaakt worden door laesie boven de bifurcatie
(zie ook: neuropathie n. ischiadicus) . De zenuw
loopt achter langs de fibulakop en is daar gevoelig
voor compressie. De n. peroneus communis verdeelt
zich onder het fibulakopje in de n. peroneus profundus
met als opvallende uiting een voetheffersparese
(verminderde dorsaalflexie (m. tibialis anterior)
en tenen (m. extensor digitorum en m. extensor
hallucis longus) en een klein gebied van sensibiliteitsverlies
tussen digiti I en II) en de n. peroneus superficialis
met als uiting een eversieparese (zwakte mm. peronei
met verminderde eversie en uitgebreide gevoelsstoornissen,
raakt de laterale voetrand eerder de grond. Bij
pijn met later een paralyse: ganglion v/h tibiofibulare
gewricht (komt op alle leeftijden voor, en vaker
bij mannen dan bij vrouwen) Neuropathie peroneus
communis komt in ongeveer 10% van de gevallen
beiderzijds voor.
Sensibiliteitsverlies bij laesie van de n.
peroneus communis:
 |
Afbeelding: Aids to the examination
of the peripheral nervous system, W.B. Saunders,
2000
Sensibiliteitsverlies bij laesie van de n.
peroneus profundus:
Afbeelding: Aids to the examination
of the peripheral nervous system, W.B. Saunders,
2000
Oorzaken
neuropathie n. per. communis
Traumata: fractuur fibulakop, val met verstuiking
(inversie) van de enkel (geeft plotse tractie
van de zenuw), dislokatie v/h knie-gewricht, ruptuur
v/h ligamentum collaterale fibulare, hematoom
i/d zenuwschede, rek van de zenuw bij sportblessure
(tennis), na enkel-fractuur.
Iatrogeen: te strak gips of spalk, ligging gedurende
operatie, bloeddrukmeting bij prematuren, na electroshocktherapie
(door compressie of stomp trauma), na meniscus-operatie,
na osteotomie van de tibia zonder gelijktijdige
osteotomie van de fibula-compressie (t.h.v. het
fibulakopje): bedlegerigheid (b.v. coma), met
de knieën over elkaar of in gehurkte houding
zitten (b.v. hovenier), adipeuzen die veel gewicht
verliezen, spierbloeding, soms beklemming onder
pezen van de m. peroneus longus, ganglion v/h
tibiofibulare gewricht, Bakerse cyste (geeft eerder
compressie op de n. peroneus communis), mucoid-cyste
. Overige oorzaken zijn laesies v/h distale deel;
denk aan strak schoeisel (o.a. klimschoenen of
ski-boots), exostose v/h fibulakopje, osteochondroom,
compressie bij diabetes mellitus, lipoom ischemie
bij ergotamine-intoxicatie.
Distale syndromen
Afbeelding: Aids to the examination
of the peripheral nervous system, W.B. Saunders,
2000
Anterieure tarsale tunnel-syndroom
Klinisch beeld gekenmerkt door pijn en sensibiliteitsverlies
i/d eerste interdigitale ruimte en i/d voetzool
en zwakte van de m. extensorum digitorum brevis
door compressie van de n. peroneus profundus onder
het ligamentum cruciatum (ook wel retinaculum
extensorum genoemd) (soms verergerd door het dragen
van schoenen met hoge hakken) .
Sensibiliteitsverlies bij laesie van de n.
peroneus profundus:
Afbeelding: Aids to the examination
of the peripheral nervous system, W.B. Saunders,
2000
N. suralis neuropathie
Klinisch beeld gekenmerkt door pijn a/h laterale
deel van de voet en in de regio van de laterale
malleolus door compressie door een ganglion of
bepaalde manier van veterbinding bij `kisten'
(`Kamerad-Schnuerschuh syndroom').
Afbeelding: Aids to the examination
of the peripheral nervous system, W.B. Saunders,
2000
N. cutaneus dorsalis intermedius
neuropathie
Klinisch beeld gekenmerkt door pijn i/d voetzool
m.n. lateraal door (traumatisch) neurinoom.
Differentiaaldiagnose
Radiculopathie L5, mononeuritis multiplex, beroerte,
acuut compartiment-syndroom (pijn, zwelling en
roodheid, soms afwezige pulsatie a. dorsalis pedis,
soms bilateraal, oorzaak: oedeem door trombose,
embolus of tetanie, Therapie klieven fascia),
`shin-splint' ook wel chronische vorm v/h compartiment-syndroom
(m.n. na lange mars, pijn en milde zwelling zakken
af na staken inspanning).
Diagnostiek
Soms zichtbare impressie van rand knie t.h.v.
fibulakopje (door met de knieën over elkaar
zitten). Indien verdenking compressie in de fossa
poplitea: echo of MRI van de fossa poplitea (soms
ook positief teken van Tinel) . EMG: aantonen
vertraging over het fibulakopje, motorisch geleidingsonderzoek
naar de voetheffers en van de voetrug (m. extensor
digitorum brevis), naald-EMG (eventueel `inching').
Therapie
Bij traumata: exploratie met eventueel zenuwnaad
(matige prognose). Bij compressie door cyste of
ganglion: excisie hiervan, hierna goede prognose,
recidieven komen voor. Bij compressie: goede prognose
na wegname compromitterende factor. Bij ernstige
zwakte eventuele peroneusveer (enkel-voet-orthese),
vaak spontaan herstel bij wegnemen compressie
. Bij permanente uitval orthopedische ingreep
(arthrodese tenodese of peestranspositie) overwegen.
Neuropathie n. pudendus (S1-S4)
Klinisch beeld
Gevoelsstoornissen in scrotum, perineum. Bij bilateraal
(soms unilateraal) aangedaan zijn: blaasledigingstoornissen
(urine-retentie, later overloop-incontinentie),
verminderde anale sphincter-spanning en potentiestoornissen.
Oorzaken
Compressie door tumor, zelden iatrogeen t.g.v.
chirurgische ingrepen (direct door doorsnijding
of door compressie durante operatie), m. piriformis-hematoom
bij orale anticoagulantia gebruik (vaak in combinatie
met n. ischiadicus en n. gluteus inferior neuropathie),
compressie van takken i/h perineum bij wielrenners,
stomp perineum trauma.
Diagnostiek
Indien geen compressie of iatrogene oorzaak vermoed
wordt: CT-bekken ter uitsluiting ruimte-innemend
proces i/h bekken.
Therapie
Vermijden compressie (goede prognose), tijdelijk
staken orale anticoagulantia.
Neuropathie n. cutanaeus
femoris posterior (S1-S3)
Klinisch beeld
Sensibiliteitsstoornis dorsale zijde bovenbeen
tot aan de fossa poplitea (nn. clunium inferiores),
scrotum (labia majora) en perineum (rr. perineales).
Afbeelding: Aids to the examination
of the peripheral nervous system, W.B. Saunders,
2000
Oorzaken
Traumata: compressie bij val op perineum ; iatrogeen:
na intramusculaire injectie ; overige: maligne infiltratie
v/e eerder behandeld rectumcarcinoom (vaak samen
met n. gluteus inferior).
Therapie
Bij intramusculaire injectie paralyse: exploratie
overwegen, anders expectatief.
Pijnbehandeling
Behandelt aantal veel voorkomende pijnsyndromen.
Trigeminusneuralgie
Meest frequente craniale neuralgie. Pijn meestal
in het gebied van de tweede of derde tak; het
meest in beide (40%). Presentatie alleen in de
1e tak is zeldzaam (2%). Spontane remissies komen
voor. Vaak worden uiteindelijk de pijnperioden
steeds langer en de remissies korter. Behandeling:
- 1e keus: carbamazepine, geleidelijk te verhogen.
Bij de meeste patiënten een goed effect
bij 600-1200 mg dagdosering;
- 2e keus bij intolerantie voor CBZ of recidief
ondanks CBZ: difantoine (300 mg/dag; sommmigen
doseren eerst hoger (500 mg/dag, en taperen
vervolgens tot 300 mg/dag) of baclofen (30 mg/dag,
tot 60 mg/dag);
- chirurgie: percutane techniek of Janetta.
Postherpetische neuralgie
Eerste keus is amitryptiline (of nortritptyline),
een tricyclisch antidepressivum. In patiënten
met postherpetische neuralgie werken dergelijke
middelen als analgetica, niet als antidepressiva!
Het analgetisch effect treedt vaak op bij doseringen
lager dan die voor het behandelen van een depressie,
maar dit is niet altijd zo; soms is een änti-depressieve"
dosering geïndiceerd, derhalve. De mediane
dosis van amitryptiline bij de behandeling van
de postherpetische neuralgie is 75 mg/dag. Sommige
patiënten ervaren reeds analgetisch effect
bij doseringen van 10-20 mg/dag. Antidepressieve
doseringen zijn 75-150 mg/dag. Mechanisme niet
geheel duidelijk. Bekend is dat re-uptake van
de monoamine neurtransmitters wordt geblokkeerd
(noradrenaline en serotonine). 60-70% van de patiënten
reageert goed op amitryptiline. Begin met lage
dosering (1dd 10 mg/dag a.n.) en bouw deze geleidelijk
op. Leg uit aan de patiënt dat de pijn (vaak)
niet geheel verdwijnt, maar draaglijk wordt. Leg
ook uit dat deze middelen ook bij depressies worden
gebruikt, en dan vaak in andere doseringen. De
patiënt behoort dit niet pas thuis op de
bijsluiter te lezen! Alternatief: Neurontin (gabapentin).
Polyneuropathie
Verschillende mogelijkheden zijn aangegeven in
Tabel 20.1.
Tabel 20.1: Behandeling pijnklachten bij polyneuropathie.
| amitriptyline |
start
10-25 mg a.n., per week geleidelijk ophogen
tot max 150 mg |
| carbamazepine |
2dd
100 mg, na 3 dagen ophogen naar 2dd 200 mg,
daarna eventueel ophogen tot 3-4dd 200 mg
|
| tramadol |
3dd
50mg, eventueel ophogen naar 4dd 100 mg |
| lamotrigine
en gabapentine |
effect
nog niet aangetoond |
Hoofdpijn
Zie hiervoor het betreffende hoofdstuk.
Pijn bij radiculaire prikkeling of syndroom
Behandelingsvoorstel is:
- spierverslappers: Diazepam, 2-5 mg tot 3dd1;
- analgetica: Naprosyne, Brufen, e.a.;
- uitleg over het ziektebeeld (werkt regelmatig
zeer analgetisch).
Literatuur
Neuropathie n. facialis
1. Devriesse P.P. Perifere facialisverlamming.
Uitgave van de afdeling KNO van het AMC; 1998
2. Grogan P.M., et al. Practise parameter: Steroïds,
acyclovir, and surgery for Bell's palsy (an evidence
based review) Neurology 2001; 56: 830-836
3. van der Sande J.J Het post-operatieve consult.
In: Biemond cursus Consultatieve neurologie; 2000
4. Terng S.C.A.., et al. Aangemeten goudplaatje
in het bovenste ooglid bij patiënten met
aangezichtsverlamming: verbeterde oogsluiting,
minder effect op andere oogklachten. NTVG 2000;
144: 800-804
Neuropathie n. accessorius
de Visser M., et al. Neuromusculaire ziekten 1999;
blz. 115
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions.
1991; blz. 203-207
Neuropathie n. phrenicus
de Visser M., et al. Neuromusculaire ziekten 1999;
blz. 115
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions.
1991; blz. 207-209
Neuropathie n. scapularis dorsalis
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions.
1991; blz. 209-210
Neuropathie n. suprascapularis
de Visser M., et al. Neuromusculaire ziekten 1999;
blz. 116
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions.
1991; blz. 210-213
Neuropathie n. subscapularis
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions.
1991; blz. 213-214
Neuropathie n. thoracicus longus
de Visser M., et al. Neuromusculaire ziekten 1999;
blz. 116
Elders L.A.M., et al. Paralyse van de M. serratus
anterior als beroepsziekte bij een steigerbouwer.
NTVG 1999; 143: 474-477
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions.
1991; blz. 214-217
Neuropathie n. intercostalis
de Visser M., et al. Neuromusculaire ziekten 1999;
blz. 116
Neuropathie n. thoracodorsalis
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions.
1991; blz. 217-218
Neuropathie n. pectoralis medialis et lateralis
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions.
1991; blz. 218-219
Neuropathie n. axilaris
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions.
1991; blz. 219-222
Neuropathie n. musculocutaneus
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions.
1991; blz. 222-224
Neuropathie n. radialis
de Visser M., et al. Neuromusculaire ziekten 1999;
blz. 117
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions.
1991; blz. 224-234
Neuropathie n. medianus
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions.
1991; blz. 234-253
Rosenbaum R.B., et al. Carpal tunnel syndrome
and other disorders of the median nerve. 1993
Neuropathie n. ulnaris
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions.
1991; blz. 253-268
Neuropathie n. iliohypogastricus
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions.
1991; blz. 297-298
Neuropathie ilioinguinalis
Mumenthaler M. Neurology. 1990; blz. 423/430
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions.
1991; blz. 298-299
Neuropathie n. genitofemoralis
Mumenthaler M. Neurology. 1990; blz. 423/430
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions.
1991; blz. 299
Neuropathie n. cutaneus femoris lateralis
Smid G.J., et al. Kleine kwalen in de huisartspraktijk:
meralgia paresthetica. NTVG 1994; 138: 392-394
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions.
1991; blz. 300-303
Neuropathie n. femoralis
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions.
1991; blz. 303-310
Neuropathie n. obturatorius
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions.
1991; blz. 310-312
Neuropathie n. gluteus superior
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions.
1991; blz. 312
Neuropathie n. gluteus inferior
Mumenthaler M. Neurology. 1990; blz. 435-436
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions.
1991; blz. 312-315
Neuropathie n. ischiadicus
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions.
1991; blz. 315-329
Neuropathie n. tibialis
de Visser M., et al. Neuromusculaire ziekten 1999;
blz. 122
Mastaglia F.M. Tibial nerve entrapment in the
popliteal fossa. Muscle Nerve 2000; 23: 1883-1886
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions.
1991; blz. 329-332
Neuropathie n. peroneus communis
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions.
1991; blz. 332-337
Neuropathie n. pudendus
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions.
1991; blz. 337
Neuropathie n. cutaneus femoris posterior
Mumenthaler M., et al. Peripheral nerve lesions.
1991; blz. 337/342
Eponiemen
N. thoracicus longus neuropathie:
Steinträgerlähmung
Rucksacklähmung
Hod carrier's palsy
Pack palsy
N. radialis neuropathie:
Saturday night palsy
Paralysie des ivrognes
Park bench palsy
Drummer's palsy
Prisoner's palsy
N. medianus neuropathie:
Lover's palsy
Paralysie du matin
Paralysie d'amour
Paralysie des amants
Oath hand
Preacher's hand
Bicyclists' palsy
Bowler's thumb
N. ulnaris neuropathie:
Weduwnaarspijn
Studentenelleboog
Klauwhand
N. iliohypogastricus (ramus cutaneus lateralis):
Jeans disease
N. cutaneus femoralis lateralis neuropathie:
Jeans disaese
N. suralis neuropathie:
Kamerad-Schnuerschuh syndroom
N. tibialis:
Klauwvoet
Flat foot pain
|