onbekende verwekker, geen predisponerende factoren:
amoxicilline 6 x 2 g i.v.
(verdenking) meningococcenziekte: penicilline 6 x 2
miljoen E i.v.
bij penicilline-allergie: ceftriaxon 2 x 2 g i.v. of
cefotaxim 6 x 2 g i.v. (of 4 x 750 mg chlooramfenicol
als cefalosporines ongewenst zijn)
onbekende verwekker, wel predisponerende factoren (dat
is behalve immuunstoornis etc. ook leeftijd > 65
jaar en D.M.): overleg met neuroloog/bacterioloog over
best te kiezen antibioticum
Vervolg vitale parameters, Glasgow coma scale.
Behandel septische complicaties/shock etc. conform richtlijnen.
Let op: een patiënt met (verdenking op) meningococcenziekte
wordt gedurende 24 uur geïsoleerd.
Aangifteplicht (telnr. GG en GD 020-5555911) bij (verdenking)
meningococcen-ziekte.
referenties
Quagliarello VJ, et al. Treatment of bacterial meningitis.
N Engl J Med 1997;336:708.
Tunkel AR, et al. Acute bacterial meningitis. Lancet
1995;346:1675.
Virale encefalitis
Algemeen:
Van alle encefalitis wordt 10% door herpes simplex-virus
type I (HSV) veroorzaakt. Echter HSV veroorzaakt 50%
van alle mortaliteit en HSV is goed te behandelen.
Indeling/verwekkers:
Virale encefalitis in de immuuncompetente patiënt:
HSV, CMV, EBV, rabies, adenovirus, lymfocytair choriomeningitis
virus, mazelen, bof, arbovirussen, enterovirussen.
Postinfectieuze encefalomyelitis: meestal bij kinderen,
vooral na luchtweginfecties en mazelen; latente fase
van dagen tot weken tussen de virale infectie en de
neurologische symptomen (wordt hier niet verder besproken).
Virale encefalitis bij de immuun gecompromitteerde patiënt:
CMV, HIV, JC-virus, HSV, enterovirus, adenovirus, mazelen.
Anamnese:
Typisch beloop is enkele dagen koorts + hoofdpijn gevolgd
door de neurologische verschijnselen, die progressief
zijn (b.v. onrust, hallucinaties, bewustzijnsdaling,
insulten, spraakstoornissen, haardverschijnselen). Verder
van belang: HIV of andere immuunstoornis? Verre reizen?
Gebeten? Welk dier? Anderen ook ziek? Infectie tevoren
gehad?
Lichamelijk onderzoek:
Algemeen intern + neurologisch (consult neuroloog);
huidafwijkingen?
Laboratoriumonderzoek:
Bloed: Hb, leucocyten, differentiatie, thrombocyten,
APTT, PTT, elektrolyten, Na, K, Ca, albumine, nierfunctie,
creatinine, glucose, virusserologie (10 ml stol); viruskweek
(buffy coat; 10 ml heparinebloed).
Overige virusdiagnostiek:
keelwat, urine, faeces, liquor (zie verder).
Liquor: eiwit (??), glucose (N?), cellen (N of ??),
type cellen (granulo?s, lymfo?s, etc.).
Verder onderzoek:
In overleg met neuroloog lumbaalpunctie (liquor insturen
voor chemie, viruskweek, evt. PCR op HSV) en CT-scan
(soms temporaalhaard), MRI? Soms hersenbiopt.
Beleid/therapie:
Altijd behandelen als HSV encefalitis (tenzij duidelijke
aanwijzingen voor andere verwekker of pathogenese):
aciclovir 3 x 10 mg/kg i.v.
Bij verdenking op aciclovirresistente HSV: foscarnet
3 x 60 mg/kg of 90-100 mg/kg 2 x dd i.v.
Bewaking bewustzijn/vitale parameters; vervolgen neurologisch
beeld (indien mogelijk op neurologische afdeling).
Bij progressie van klinische verschijnselen en massawerking
op CT-scan: dexamethason 4 x 0,2 mg/kg i.v.
referenties
Arribas JR, et al. Cytomegalovirus encephalitis. Ann
Int Med 1996;125:577.
Kaplan CP, et al. Cognitive outcome after treatment
of acute herpes simplex encephalitis. Brain Injury 1999;13:935.
Cryptococcus neoformans-infectie
Bij HIV-geïnfecteerden meestal meningeale lokalisatie,
soms pulmonaal, soms alleen bacteriëmie.
Anamnese/lichamelijk onderzoek/neurologisch onderzoek
(consult neuroloog):
Koorts, algemene malaise, hoofdpijn (75-90%), nausea,
vomitus (40%), lethargisch, karakter- en/of bewustzijnsveranderingen
(30%), focale uitvalsverschijnselen (10%), meestal geen
meningeale prikkelingsverschijnselen, soms (alleen)
pulmonale symptomen, soms huidafwijkingen die lijken
op molluscum contagiosum.
Laboratoriumonderzoek:
Bloed: kweek, cryptococcen antigeen (serum) 88.
Urinekweek.
Liquoronderzoek (zie verder): Gram, kweek, cryptococcenantigeen,
cellen/proteïne/glucose (vaak normaal).
Verder onderzoek:
Op indicatie neuroloog lumbaalpunctie: soms verhoogde
openingsdruk, onderzoek liquor (zie lab).
CT-scan: meestal geen afwijkingen.
X-thorax: meestal geen afwijkingen, soms infiltratieve
afwijkingen.
Beleid/therapie:
Amfotericine-B 0.7 mg/kg/dag i.v.
Alternatieve schema?s: Amfo-B 0.6 mg/kg i.v. + 5-flucytosine
(AncotilR) 150 mg/kg in 4 doses i.v. of 2 weken Amfo-B
0.7 mg/kg, na negatieve LP op dag 14 gevolgd door 4
weken fluconazol 1dd 400 mg per os.
Minimaal 6 weken behandelen
Altijd onderhoudsbehandeling: fluconazol 1dd 200 mg
Stesolid rectioles bij de hand ivm insulten
Overweeg overplaatsing afd. Neurologie
Bij hoge liquordruk regelmatig ontlastende L.P.?s.
referenties
Minamoto GY, et al. Fungal infections in patients with
AIDS. Med Clin North Am 1997;81:381.
Ennis DM, et al Cryptococcal meningitis in AIDS. Hosp
Pract 1993;28:105.
Cerebrale toxoplasmose
Anamnese/lichamelijk onderzoek (consult neuroloog):
Combinatie van haardverschijnselen en tekenen van diffuse
encefalopathie: bewustzijnsdaling, verwardheid, hemiparese,
afasie, veranderd bewustzijn, insulten, myelitis transversa.
Vaak met koorts en hoofdpijn. Cotrimoxazol profylaxe?
(beschermt enigszins tegen toxoplasmose)
Laboratoriumonderzoek:
Toxoplasmoseserologie: IgG-titer 88 in bloed, kan negatief
zijn. IgM antilichamen zelden aantoonbaar.
Verder onderzoek
CT-scan: multipele hypodense haarden, met ringvormige/diffuse
aankleuring na contrast. Bij twijfel: MRI, indien ook
hier maar één haard behandelen als toxoplasmose
en wanneer geen reactie op therapie: overweeg hersenbiopt.
Differentiaal diagnose (vooral bij negatieve toxoplasmose
serologie of bij niet reageren therapie): cerebraal
lymfoom of tuberculoom
Lumbaalpunctie: meestal geen afwijkingen bij liquoronderzoek
of geringe pleiocytose, voornamelijk lymfocyten en monocyten
met verhoogd eiwitgehalte, meestal normaal glucose.
Toxoplasmosereacties niet betrouwbaar. LP niet nodig
als tot proefbehandeling wordt besloten.
Beleid/therapie:
Bewaken bewustzijn (Glascow coma scale) en andere vitale
parameters.
Pyrimethamine, oplaaddosis van 100 mg, daarna 1 dd 50
mg + sulfadiazine 4 dd 1 gram p.o. (bij sulfa-overgevoeligheid
pyrimethamine zelfde dosis + clindamycine 600 mg 4 dd).
Altijd folinezuur (1dd 15 mg) toeveoegen i.v.m. preventie
pancytopenie.
Onderhoudsbehandeling: pyrimethamine 1dd 50 mg + folinezuur,
evt. toevoegen sulfadiazine).
Overweeg overplaatsing afdeling Neurologie
referenties
Cohen BA. Neurologic manifestations of toxoplasmosis
in AIDS. Semin Neurol 1999;19:201.
Newton HB. Common neurologic complications of HIV-1
infection and AIDS. Am Fam Phys 1995;51:387.
Epileptisch insult (tonisch/clonisch)
Anamnese:
Bekend met epilepsie? Anti-epileptica? Welke? Ingenomen?
Onderliggend lijden? Incontinentie? Hoe lang aanval?
Welke verschijnselen?
Lichamelijk onderzoek:
Vitale parameters? Tongbeet? Cave aspiratie. Neurologisch
onderzoek (door neuroloog).
Laboratoriumonderzoek:
Hb, leucocyten, Na, K, Ca, glucose, creatinine, spiegels
anti-epileptica (apotheek).
Verder onderzoek:
Consult neuroloog voor therapie en evt. verder onderzoek.
Beleid/therapie:
Volgens richtlijnen neuroloog. De keuze voor behandeling
met anti-epileptica na een eerste insult hangt af van
onderliggende oorzaak, uitslag EEG en de persoonlijke
omstandigheden. Als een aanval langer duurt, wordt deze
meestal gecoupeerd met 1 mg/5 min clonazepam (Rivotril®)
i.v. of 10 mg diazepam in rectiole.
Let op:
Clonazepam (Rivotril®) passeert de bloedhersenbarrière
2 x zo snel als diazepam: na 6 min al piekconcentratie
in cerebrum (1 mg clonazepam = 10 mg diazepam). Indien
toediening noodzakelijk via rectiole (i.v. toediening
onmogelijk) dan diazepam geven (geen benzodiazepines
i.m. geven).
referenties
Feely M. Drug treatment of epilepsy. BMJ 1999;318:106.
Mattson RH. Medical management of epilepsy in adults.
Neurology 1998;51:S15.
(Convulsieve) status epilepticus
(CSE)
Definitie: Een tonisch clonisch insult waarvan de tonische
en clonische fasen bij elkaar een half uur of langer
aanhouden of een serie insulten (van korte duur) die
elkaar opvolgen zonder interictaal herstel van bewustzijn.
Mogelijke complicaties: Hypoxie/ademdepressie, hypoglycaemie,
lactaatacidose, hyperkaliëmie, rhabdomyolyse. Mortaliteit
van CSE is > 10%; snel handelen geboden.
Hetero-anamnese: Bekend met epilepsie? Welke medicatie?
Medicatie gebruikt?
Lichamelijk onderzoek: Vitale parameters: temperatuur?
aspiratie? Neurologisch onderzoek (door neuroloog).
Laboratoriumonderzoek: Hb, leucocyten, Na, K, Ca, glucose,
creatinine, CK, bloedgasanalyse, spiegels anti-epileptica
(apotheek).
Beleid/therapie: Bewaken vitale functies.
50 ml glucose 40% of 100 ml glucose 20%.
Spoedconsult neuroloog voor diagnostiek/therapie/overplaatsing
(afd. neurologie of IC).
Meest gangbare therapieschema: Couperen met clonazepam
i.v. 1 mg/5 min, doorgaan tot maximale dosis (0,15 mg/kg)
is bereikt of tot insulten zijn verdwenen.
Tegelijkertijd: fenytoïne i.v. (Diphantoïne7),
oplaaddosis 18 mg/kg (max 50 mg/min), onderhoudsdosering
5-8 mg/kg (als patiënt al fenytoïne gebruikte,
aangepaste dosis in overleg?). Indien CSE na 30-60 min
niet onder controle: naar IC en intuberen/beademen,
i.v. midazolam of propofol Temperatuurverhoging behandelen
met paracetamol rectaal.
Let op: Te snelle toediening van diphantoïne geeft
hartritmestoornissen, hypotensie en ademdepressie; trage
passage bloedhersenbarrière, piekconcentratie
in cerebrum na 30 minuten.
referenties
Devinsky O. Patients with refractory seizures. N Engl
J Med 1999;340:1565.
Willmore LJ. Epilepsy emergencies: the first seizure
and status epilepticus. Neurology 1998;51:S34.
Subarachnoïdale bloeding
Hetero-anamnese: Acute hoofdpijn binnen 1 minuut zeer
hevig, die tenminste 1 uur aanhoudt; acute hoofdpijn
gevolgd door coma. Onderliggende ziekte?
Lichamelijk onderzoek: Vitale parameters, evt. Glasgow
Coma Scale, nekstijfheid (hoeft niet), verder neurologisch
onderzoek (door neuroloog).
Verder onderzoek: Spoedconsult neuroloog, in principe
spoed CT-scan: als de CT-scan negatief is bij toch sterke
verdenking lumbaalpunctie (minstens 6 uur na begin symptomen
voor mogelijk onderscheid met evt. traumatische punctie).
Angiografie alleen op indicatie. Overplaatsing naar
neurologie/neurochirurgie of IC.
referenties
Edlow JA, et al. Avoiding pitfalls in the diagnosis
of subaracnoid hemorrhage. N Engl J Med 2000;342:29.
Subduraal hematoom
Men onderscheidt een acuut en subacuut/chronisch subduraal
hematoom.
Anamnese: Trauma? (meestal bij acuut) Stollingsstoornis?
Sinds wanneer klachten (hoofdpijn, braken etc.)? Lichamelijk
onderzoek (consult neuroloog):
(Wisselende) bewustzijnsstoornissen? Focale cerebrale
uitvalsverschijnselen?
Verder onderzoek: Op indicatie van neuroloog beeldvormende
diagnostiek (CT-scan) ter bevestiging van diagnose.
Beleid/therapie: Evt. stollingsstoornissen couperen.
Overwegen neurochirurgische decompressie (indicatie
neuroloog/neurochirurg).
Overplaatsing naar neurologie/neurochirurgie.
referenties
Ammons AM. Cerebral injuries and intracranial hemorrhages
as a result of trauma. Med Clin North Am 1990;25:23.
Markwalder TM. Chronic subdural hematomas. J Neurosurg
1981;54:637.
Cerebrovasculair accident (CVA)
Anamnese: Focale cerebrale uitvalsverschijnselen? Wanneer
begonnen? Al langer dan 24 uur symptomen? Hoofdpijn,
braken (pleiten wat meer voor bloeding). Hart/vaatlijden?
Antistolling? etc.
Lichamelijk onderzoek: Vitale parameters/hartritme,
bewustzijn (GCS), neurologisch onderzoek (consult neuroloog),
souffle carotiden/hart.
Laboratoriumonderzoek: Hb, thrombocyten, glucose, zo
nodig bloedgasanalyse.
Verder onderzoek: In overleg met neuroloog beeldvormende
diagnostiek, meestal CT-scan. DD bloeding/infarct.
Beleid/therapie: Volgens richtlijnen van neuroloog;
in het algemeen krijgt een patiënt met een infarct
profylactisch aspirine (eerste dosis 300 mg Ascal, daarna
1 x 38 mg). Indicatie thrombolyse binnen 3 uur na optreden
infarct in bepaalde gevallen. Bij een bloeding: zo nodig
stollingsstoornissen corrigeren.
Zo mogelijk overplaatsen naar afd. Neurologie, als beschikbaar
Stroke Unit
Behandeling met mannitol, corticosteroïden, hyperventilatie
of barbituraten in principe niet zinvol.
In geval van hypertensie bloeddruk niet of niet te veel
verlagen - kans op extra cerebrale ischemie. Behandeling
gewenst als RRsyst >220 mmHg en/of RRdiast >125
mmHg. Streeftensie RRsyst 200 mmHg en/of RRdiast 110
mmHg. Liefst geen gebruik snelwerkende calcium antagonisten
(Adalat s.l.) vanwege onvoorspelbaar effect op de bloeddruk.
Gebruik b.v. labetolol 5-20 mg/uur i.v. onder monitoring
van bloeddruk en ritme. Overplaatsing naar afdeling
neurologie (als beschikbaar: stroke unit).
referenties
Adams RJ. Management issues for patients with ischemic
stroke. Neurology 1995;45:S15.
Dreigende dwarslaesie bij oncologische
patiënt
Meestal is er sprake van een naar het wervelkanaal doorgroeiende
botmetastase in een wervellichaam of een epidurale metastase,
soms betreft het paravertebrale metastasen die via de
intervertebrale foramina het wervelkanaal ingroeien.
De compressie is meestal (70%) op thoracaal niveau.
Anamnese: Bekend met (gemetastaseerde) tumor? Rugpijn
(90%)? Krachtsverlies? Gevoelsstoornissen? Radiculaire
prikkelings-/uitvalsverschijnselen? Mictie/defaecatiestoornissen?
Hoe lang bestaand? Al bestraling gehad?
Lichamelijk onderzoek (spoedconsult neuroloog):
M.n. neurologisch gericht op bovengenoemde symptomen.
Verder onderzoek: X-wervelkolom (2 richtingen).
Op indicatie van neuroloog aanvullende beeldvorming:
MRI of myelografie/CT-scan (+ evt. liquoronderzoek).
Beleid/therapie: "Platte" bedrust tot zeker
is dat wervelkolom stabiel is.
10 mg Oradexon i.v. gevolgd door 3 x 5 mg per dag (na
4 dagen verminderen volgens schema neuroloog).
Evt. aanvullende pijnbestrijding. Radiotherapie op dezelfde
dag in overleg met oncoloog/radioloog. (Acute) chirurgie
op bepaalde indicaties, b.v. meta's in gebied dat niet
(meer) bestraald kan worden, ernstige instabiliteit
van de wervelkolom; < 24 uur complete dwarslaesie
etc. (overleg neuroloog/oncoloog/radioloog/orthopeed
c.q. neurochirurg). Chemotherapie afhankelijk van aard
uitbreiding, fase van tumor.
referenties
Abraham JL. Management of pain and spinal cord compression
in patients with advanced cancer. ACP-ASIM End-of-life
consensus panel. Ann Int Med 1999;131:37.
Byrne TN. Spinal cord compression from epidural metastasis.
N Engl J Med 1992;327:614.