|
De volgende
punten worden hier besproken: |
|
|
|
Inleiding
Dit protocol* omschrijft een procedure rondom
het overlijden van patiënten. Onderscheid
wordt gemaakt tussen het overlijden van patiënten
die wel en niet beademd worden. Het overlijden
van patiënten die niet beademd worden vindt
in de regel plaats op de afdeling neurologie;
na het vaststellen van de dood op de afdeling
neurologie zijn een aantal procedures die gevolgd
moeten. Een van de items is het in gang zetten
van de procedure rondom de weefsel donatie.
Bij patiënten die wel beademd worden kan
het overlijden pas worden vastgesteld indien
zij voldoen aan z.g. hersendood criteria. Vaststelling
van deze criteria is een eerste voorwaarde voor
het vragen van orgaandonatie.
*door Keunen/van Putten 20-1-02
Het overlijden van niet
beademde patiënten
Het overlijden van niet beademde patiënten
kan onverwachts of min of meer verwacht gebeuren.
Bij een onverwacht overlijden is de familie
meestal niet aanwezig. In dat geval zijn te
te nemen stappen als volgt:
eerst het vaststellen van de dood (= tevens
het tijdstip van overlijden!);
het vaststellen van een vermoedelijke doodsoorzaak;
het informeren van familie en hen verzoeken
naar het ziekenhuis te komen;
daarna het raadplegen van het donorregister
en het inventariseren of patiënt als donor
geregistreerd staat;
vervolgens het gesprek met de familie waarin
ter sprake komt o.a. de obductie en donatie
vraag;
na afloop dienen de ABC formulieren worden ingevuld
en het donatieformulier;
Breng ten slotte de huisarts op de hoogte brengen
van het overlijden;
Een kort verslag dient te worden gemaakt in
de klinische status van de hierboven gevolgde
procedure en eventuele bijzonderheden worden
vastgelegd. Indien er sprake is van een ongeval
(ook als patiënt al weken in het ziekenhuis
ligt en niet overleden is aan de directe gevolgen
van het ongeval) is er in juridische zin sprake
van een niet natuurlijke dood en dient de GGD
arts op de hoogte te worden gesteld. Bij patiënten
die een niet natuurlijke dood sterven kan wel
om obductie en weefsel donatie worden gevraagd
maar kunnen deze procedures pas worden uitgevoerd
nadat de officier van justitie het lichaam heeft
vrijgeven.
Criteria van overlijden
bij niet beademde patiënten
Patiënten zijn overleden indien er een
irreversibele ademstilstand is opgetreden waardoor
er geen gaswisseling meer kan plaatsvinden en
er irreversibele cardiovasculaire en cerebrale
functiestoornis optreedt. De dood kan worden
vastgesteld door het onderzoeken van een aantal
kenmerken:
het blijvend ontbreken van een spontane ademactiviteit;
het aanwezig zijn van vervormde wijde lichtstijve
pupillen;
het blijvend ontbreken van bloeddruk, hartslag
en cortonen;
het dalen van de temperatuur;
het ontstaan van lijkvlekken en rigor mortis.
Als patiënt voldoet aan de eerste drie
criteria is patiënt overleden. Van belang
is op te merken dat de dood pas kan worden vastgesteld
als het blijvend ontbreken van spontane ademhaling
niet veroorzaakt wordt door onderkoeling, medicamenten
of toxinen. Let op: bij pasgeborenen en zeer
jonge kinderen die stervende zijn kan met zeer
lange tussenpozen (meer dan 10 minuten) nog
adembewegingen optreden (z.g. gasping).
Logistiek van de weefseldonatie
Indien een patiënt op de afdeling overlijdt
dient altijd het Donorregister geraadpleegd
te worden via de Nederlandse Transplantatie
Stichting. Men belt nummer 071-5795795 en vraagt
of de patiënt geregistreerd staat. Het
register zal vragen naar uw BIG registratie
nummer en als dat niet bij de hand is zal men
binnen 5 minuten terugbellen om te waarborgen
dat "derden" niet de geregistreerde
gegevens in handen krijgen. Nu zijn er drie
mogelijkheden:
de patiënt staat geregistreerd en geeft
toestemming voor weefsel en/of orgaan donatie
de patiënt staat geregistreerd en geeft
geen toestemming voor weefsel en/of orgaan donatie
de patiënt staat niet geregistreerd
In het derde geval mag de familie toestemming
geven voor weefsel en/of orgaan donatie.
Het gesprek met de familie
Voor het gesprek met de familie aan te gaan
vergewis je van hoe de laatste uren van de patiënt
waren en neem kennis van het medisch dossier.
Ga samen met een verpleegkundige het gesprek
aan. In dit gesprek kan men een aspecten onderscheiden.
Eerst het existentiële aspect: de familie
word geconfronteerd met een overledenen wat
een diepe impact heeft op de nabestaanden. Meestal
treft de arts een bedroefde familie aan. Als
de arts binnen komt wordt het stil en krijgt
de arts de gelegenheid te vertellen dat hij
de dood heeft geconstateerd en wat de vermoedelijke
doodsoorzaak is geweest. Bij de aanwezigheid
van veel familieleden, richt de arts zich tot
de meest verwante nabestaande: echtgenote en/of
kinderen. Het is dan ook verstandig om bij binnenkomst
zich te verwittigen van wie deze personen zijn
als men met een overlijden geconfronteerd wordt
van patiënten van wie men de familie niet
kent. Dan volgt een fase waarin emoties van
verdriet kunnen oplopen. Geef er ruimte voor
alvorens verder te gaan met de logistieke aspecten
het gesprek. Er wordt gevraagd naar hoe de laatste
uren waren en vaak komt wederom wordt de vermoedelijke
doodsoorzaak aan de orde. In deze fase wordt
in sommige gesprekken ook uiting geven aan onvrede
over de behandeling. Laat de familie uitspreken
wat hen precies gehinderd heeft. Als familie
leden zeer heftig door emoties overmand worden,
geef de familie de tijd om de emoties te uiten.
Soms kan het verstandig zijn om de familie enige
tijd onder elkaar te laten en pas na op een
later tijdstip terug te keren om het logistieke
deel van het gesprek te vervolgen. Voor de logistieke
fase aan de orde komt moet de familie de indruk
hebben in de arts dat hij hen met vertrouwen
heeft behandeld. Dat vertrouwen ontstaat door
het helder overbrengen van het overlijden en
de vermoedelijke doodsoorzaak, het geven van
ruimte voor verdriet en eventuele onvrede wat
bij de familie leeft. Biedt bij onvrede b.v.
een gesprek aan met de behandelend specialist
maar ga niet in op de details van de onvrede.
Oordeelsvorming over en het oplossen van onvrede
heeft tijd nodig, belangrijk is dat de familie
ziet dat de onvrede waargenomen wordt; men verwacht
meestal nooit dat de onvrede opgelost wordt.
De logistieke fase van het gesprek is het minst
belastend voor de familie als er vertrouwen
is gekweekt. Regel is om pas om weefsel donatie
te vragen voordat de obductie vraag aan de orde
komt. In de regel komen de volgende aspecten
aan de orde:
-
indien van toepassing het
aanwezig zijn van een niet natuurlijke dood
-
de weefsel- en orgaandonatie
vraag. Familie kan moeite hebben met de keuze
van de overledene om weefsel en/of organen
te doneren. Probeer de aspecten van deze keuze
zonder een conflict te creëren; overweeg
dat het de laatste wil is van de patiënt.
Voor de weefsel- en orgaandonatie is een protocol
beschikbaar. Indien de patiënt zich niet
heeft geregistreerd mag of kan de familie
toestemming geven. Belemmering voor toestemming
kan een culturele achtergrond hebben of een
ongebruikelijke voorstelling van zaken. Licht
de familie in over de zorgvuldigheid van de
donor procedure en de mogelijkheid om geïnformeerd
te worden over het verloop van de transplantaties
bij derden. Kern is om in het gesprek naar
boven te krijgen of de overledene zelf gewenst
zou hebben zijn lichaam voor derden ter beschikking
te stellen Enkele relevante regels zijn m.b.t.
weefseldonatie zijn:
-
uitname van weefsel kan
tot 24 uur na het overlijden;
-
contra-indicaties voor
donatie zijn: sepsis als doodsoorzaak,
systemische infecties, maligniteiten (uitzondering
primaire niet gemetastaseerde hersentumoren),
HIV (of hoge verdenking op HIV), hepatitis
B,C HTLV-infecties, chemotherapie of imuunsuppressie
behandeling binnen de 3 maanden voorafgaande
aan het overlijden, recente vaccinaties
met levend virus, hemodilutie > 50%;
-
voor weefseldonatie (m.n.
huid en hoornvliezen) komen alle leeftijden
onder de 81 jaar in aanmerking;
voor donatie van pees- en botweefsel geldt
een leeftijdscriterium van 17 t/m 55 jaar;
voor donatie van hartkleppen en grote
arteriële vaten geld een leeftijdscriterium
van 1 tot 65 jaar.
Bij complexe problemen: overleg
met de donatiefunctionaris (Mevr. A. Roerade
sein: 3440, toestel 2721). In voorkomende
gevallen kan zij nog donaties regelen als
de termijn van 24 uur nog niet overschreden
is. Na toestemming wordt de donor aangemeld
bij de regionale transplantatiecoördinator
via Eurotransplant: tel. 071-5795795.
-
de obductievraag. Met name
bij patiënten met onbegrepen medische
pathologie is het zinvol om om obductie te
vragen. Vraag voor lichaam- en hersenobductie.
Leg familie de procedure uit.
Beëindig het gesprek met hen sterkte te
wensen met het verlies, en hen te danken dat
zij U de gelegenheid hebben geven de donatie
en obductie vragen te stellen. Spreek af de
huisarts op de hoogte te stellen en bied hen
in voorkomende gevallen een poliklinisch follow-up
gesprek aan.
Het overlijden van patiënten
die beademd worden
Het vaststellen van de dood bij patiënten
die beademd worden is gecompliceerd omdat het
kernsymptoom van overlijden: het irreversibele
beschadigd zijn van de eigen ademhaling aan
de waarneming onttrokken wordt door de werking
van de beademingsapparatuur. Om deze redenen
zijn z.g. hersendood criteria opgesteld. Onder
hersendood wordt volstaan volledig en onherstelbaar
verlies van de functies van de hersenen en de
hersenstam. Bij het voornemen van orgaandonatie
dient de hersendood te worden aangetoond door
een ter zake deskundige arts. De hiernavolgende
procedures moeten worden gevolgd en vastgelegd
middels een daarvoor bestemde verklaring (aanwezig
op de ICU). De hersendood criteria zijn beschreven
in een rapport van de Gezondheidsraad in 1996.
De diagnostiek van hersendood berust op drie
pijlers, te weten:
De prealabele voorwaarden zijn die feiten die
bij anamnese en onderzoek inzichtelijk maken dat
er zekerheid is over de aard en onomkeerbaarheid
van het neurologisch lijden. Neurologische aandoeningen
die een schijnbare hersendood suggereren kunnen
het gevolg zijn van locked-in syndromen of polyradiculopathien
die ook de hersenzenuwen aantasten. Hoge dwarslaesie
en dubbelzijdige phrenicus laesies kunnen het
ontbreken van een spontane ademhaling verklaren
zonder dat er sprake is van een irreversibele
schade aan de hersenstam. De arts dient zich m.n.
te vergewissen dat reversibele oorzaken van hersendysfunctie
zijn uitgesloten zoals: hypothermie (temp <
32 graden Celsius), intoxicaties (benzodiazepines;
barbituraten), hypotensie, neuromusculaire blokkade,
ernstig biochemische of metabole stoornissen (hypercapnie).
Het klinisch neurologisch onderzoek omvat:
- afwezig zijn van bewustzijn vastgelegd in
de Glasgow Coma Scale (of Children Coma Scale
voor kinderen jonger dan 4 jaar).
- afwezigheid van hersenstamreflexen
- geen lichtreacties pupillen met een sterke
lamp beoordeeld (cave wijde pupillen door
mydriaticum of dopamine iv)
- geen cornea-reflexen
- negatieve oculocephale reflex (snelle
zijwaartse hoofdrotatie over 45 graden)
- negatieve oculovestibulaire reflex (20
ml ijswater in elk oor bij intact trommelvlies)
- afwezig hoestreflex bij uitzuigen en bewegen
van de trachea-tube
- aanwijzingen voor een afwezige spontane ademhaling
(bij sommige beademingsinstellingen kan de patiënt
zelf de machine aansturen door te inspireren
(triggering); ontbreken van de trigger kan wijzen
op een dysfunctionerend ademhalingscentrum)
Het aanvullend onderzoek dat tot definitieve
diagnose hersendood aantoont omvat a. het ontbreken
van elektrische hersenactiviteit, blijkend uit
een iso-elektrisch EEG en b. het ontbreken van
spontane ademhaling, aangetoond door middel
van de apneu test.
Het EEG dient te voldoen aan een aantal technische
criteria en dient beoordeeld te worden door een
neuroloog met bevoegdheid "klinische neurofysiologie"
aan het ziekbed van de patiënt. Indien een
EEG technisch niet mogelijk is dan kan dit vervangen
worden door een cerebrale angiografie; Indien
in het verlengde van het vaststellen van de hersendood
geen donatievraag aanwezig is kan men besluiten
in voorkomende gevallen het EEG niet te registreren.
In strikte zin wordt dan niet de hersendood vastgesteld
maar op grond van neurologisch onderzoek "de
ernst van de neurologische uitval bepaald in het
kader van de beoordeling van de vraag of het wel
of niet voortzetten van de medische behandeling
(c.q. beademing) medisch zinvol is".
De apneu test
De apneu test is bedoeld om te kijken of het ademcentrum
intact is. Een normaal functionerend ademcentrum
reageert op een koolzuurgasstapeling in het bloed.
Regel is dat inspiratie optreedt bij een koolzuurgasspanning
van 50 mmHg (6,65 kPa). Bij patiënten die
lijden aan een chronische longaandoening is de
referentie waarde van stimulatie bepaald op 60
mmHg (8 kPa). Bij patiënten die beademd worden
zou men de beademingapparatuur gewoon kunnen loskoppelen
en kijken of er ademexcursies ontstaan. Daar zijn
twee principiële bezwaren tegen. Ten eerste
wordt de patiënt na het losleggen snel hypoxisch
en kan hij hierdoor overlijden of ernstige schade
oplopen aan zijn organen. Ten tweede stijgt het
koolzuurgasgehalte in het bloed bij deze patiënten
relatief traag door het lage lichaamsmetabolisme
en kan het zijn dat t.g.v. hypocapnie geen stimulatie
optreedt terwijl het ademhalingscentrum wel intact
is. Om de bovengenoemde bezwaren te overkomen
zijn is een aantal maatregelen die genomen worden
om hypoxieschade t.g.v. apneu test te voorkomen
en te garanderen dat de referentie waarde van
stimulatie ook daadwerkelijk gehaald wordt tijdens
de apneutest. Om hypoxie tijdens de apneu test
te voorkomen wordt de patiënt gepreoxygeneerd
met 100% zuurstof gedurende 10 minuten. Tijdens
de test wordt een slangetje in de tube gelegd
met een 100% zuurstof instroom van 6 Liter per
minuut. Hierdoor wordt hypoxie voorkomen door
een gaswisseling zonder ademhaling (de zg apneuische
ventilatie). Tijdens de test wordt de zuurstofsaturatie
continue geregistreerd middels een pulse-oximeter.
Voor aanvang van de test wordt de beademing zo
aangepast dat de pCO2 spanning van het bloed tenminste
oploopt tot een waarde van 45 mmHg (pre-normocapneren).
De apneutest mag pas beginnen als de vereiste
pCO2 waarde in het bloed bereikt is en vastgelegd
is middels een bloedgasanalyse. Tijdens de test
dienen naast zuurstofsaturatie, ECG, bloeddruk
en pCO2 bewaakt te worden. (pCO2 bewaking via
een capnograaf op de tube). Bij personen die beademd
werden met positieve eindexpiratoire druk voor
de apneu test krijgen ter voorkoming van hypoxie
tijdens de test een beademingsvorm waarbij continue
positieve eindexpiratoire druk gegeven wordt.
De apneu test moet worden beëindigd als:
- een spontane ademhaling optreedt
- er ernstige dalingen optreden in zuurstof
saturatie (< 90%)
- als er geen ademexcursies optreden bij een
koolzuurgasspanning gelijk of hoger dan de referentie
waarde
De gewenste pCO2 waarde wordt meestal in 5 tot
10 minuten bereikt (gemiddelde stijging pCO2 is
2 mmHg/minuut) De uitslag van de apneu test kan
dus zijn: het ademhalingscentrum functioneert
wel of niet. In een voorkomend geval is de conclusie
dat door het optreden van systemische ontregelingen
de functie van het ademhalingscentrum niet te
beoordelen is. In die gevallen is een cerebrale
angiografie te overwegen als donatie gewenst is.
De diagnostiek van hersendood
bij patiënten jonger dan 4 jaar
Voor het stellen van de diagnose hersendood moet
bij personen jonger dan 4 jaar langere observatie
perioden in acht worden genomen. Afhankelijk van
de leeftijd zijn er richtlijnen voor de observatie
periodes. Voor kinderen in de leeftijd van 0 tot
2 maanden: 48 uur; bij een leeftijd van 2 tot
12 maanden: 24 uur; bij kinderen tussen de 1 en
4 jaar: een observatie periode van 12 uur. Bij
kinderen jonger dan vier jaar dienen voor donatie
tenminste twee iso-electrische EEG's te zijn geregistreerd.
Afhankelijk van de leeftijdscategorie varieert
de tijd tussen de EEG's (voor de hiervoor genoemde
categorieën zijn de tussentijden respectievelijk:
24, 12 en 6 uur.
Enkele relevante regels m.b.t.
orgaandonatie
- contra-indicaties voor donatie zijn: sepsis
als doodsoorzaak, systemische infecties, maligniteiten
(uitzondering primaire niet gemetastaseerde
hersentumoren), HIV (of hoge verdenking op HIV),
onbekende doodsoorzaak, onbekende identiteit.
- voor orgaan donatie komen alle leeftijden
onder de 66 jaar in aanmerking
- voor donatie diverse organen gelden specifieke
leeftijdscriteria (dunne darm <50 jr; nieren,
longen < 60 jr; hart, pancreas < 65 jr;
lever < 70jr.)
voor donatie van hartkleppen en grote arteriële
vaten geld een leeftijdscriterium van 1 tot 65
jaar. Bij complexe problemen overleg met de donatie
coördinator aanwezig (Mevr. A.Roerade sein:3440/toestel
2721) of met de regionale transplantatiecoördinator
via Eurotransplant: tel. 071-5795795 (bij wie
de donor moet worden aangemeld).
Gesprek rondom de orgaandonatie
Het gesprek rondom orgaandonatie komt in grote
lijnen overeen met het gesprek rondom weefseldonatie.
Bij orgaandonatie is er een aantal extra aandachtspunten.
Het meedelen van overlijden en de doodsoorzaak
moet expliciet aan de orde komen en door de familie
begrepen worden. Pas nadat vertrouwen in de behandeling
door de familie direct of indirect is aangeven
en de eventuele onvrede aan de orde is geweest
kan men de donatievraag bespreken. Terughoudendheid
met de donatievraag moet in acht worden genomen
als de familie er niet van overtuigd is dat tijdens
het leven het behandelend medisch team medische
fouten zou hebben begaan. Geef de familie tijd
om over de donatie na te denken, bespreek de bezwaren
tegen de donatie. Argumenten tegen orgaandonatie
zijn van culturele aard, onvoldoende kennis over
de procedure en soms is de familie verdeeld doordat
de onderlinge relaties en de relatie met de overledene
niet goed zijn geweest. Culturele bezwaren zijn
meestal onbespreekbaar, gebrek aan informatie
kan worden opgelost door informatie te geven over
de procedure en relatie problemen zijn soms wel
overkomelijk als je nadruk legt op consensus binnen
de familie en hen alleen laat. Leg als er geen
wilsbeschikking aanwezig is, de nadruk op wat
de overledene zelf zou hebben gewild, vraag:hoe
was zij? "Gaf zij of nam zij, dat is de vraag",
een vraag die de familie moet beantwoorden. De
ervaring is diegene die een diepe en liefdevolle
relatie met elkaar hebben gehad vanuit een diepe
emotie van overgave en weggeven het kunnen opbrengen
op te beslissen om de orgaan donatie toe te staan.
Respecteer de familiewaarden en normen die zichtbaar
worden in het gesprek. Leg bij het geven van nadere
informatie uit de zeer zorgvuldige procedure bij
uitname, het de zorgvuldige behandeling van de
uitgenomen organen en het respect voor de overledene
nadat de organen zijn uitgenomen. Leg uit dat
na de uitname van de organen de patiënt op
de operatiekamer losgekoppeld zal worden van alle
apparatuur en dat daar geen familie bij kan zijn;
leg uit dat er wonden zullen zijn maar dat deze
bedekt zullen zijn door kleding geen wonden zichtbaar
zijn. Leg uit dat de ogen dicht zullen zijn en
dat de patiënt opgebaard kan worden als ieder
ander overledene. Vaak in de loop van het gesprek
kan de arts de donatie vraag motiveren door aan
te geven dat het de taak van een arts is om zich
in te zetten voor patiënten niet hij of zij
niet persoonlijk kent maar waarvan bekend is dat
zij lijden aan een ernstige chronische ziekte
die behandelt zou kunnen worden door een orgaan
implantatie. Bespreek in voorkomende gevallen
de extreme zorg rondom de implantatie en het hoge
succes percentage. Let in iedere fase van het
gesprek of de informatie die je geeft gewenst
is: vaak loopt het gesprek als vanzelf als de
donatie vraag gesteld is. Overdracht van kennis
rondom de donatie procedure richting familie wordt
bevorderd door de familie de gelegenheid te geven
vragen te stellen en deze vragen zo goed mogelijk
te beantwoorden. Een goed beantwoorde vraag geeft
meer informatie dan een uitgebreid ongevraagd
verhaal over alle aspecten van de donatieprocedure.
Als toestemming voor donatie geven wordt bespreekt
men in het algemeen geen obductie hoewel in uitzonderlijke
medische gevallen er wel ruimte voor moet zijn.
Als de familie uiteindelijk niet beslist tot het
geven van een toestemming voor donatie, bespreek
de obductie vraag. Meestal wordt er bij geen donatie
ook geen toestemming voor obductie verleend. Motiveer
de obductievraag als het van groot medisch belang
is. Als de obductie wel of niet is toegestaan
bespreek vervolgens wanneer en onder welke omstandigheden
de beademingsapparatuur zal worden losgekoppeld.
Geef naaste familieleden de tijd om naar het ziekenhuis
te komen en bespreek de mogelijkheid voor de familie
om bij het loskoppelen te zijn. Er zijn bijna
altijd wel familieleden die erbij willen zijn.
Bied aan als er geen familie bij wil zijn dat
je er als arts bij zult zijn en dat je hen zal
waarschuwen als het ontkoppelen zo "vredig"
verloopt zodat zij er alsnog bij kunnen zijn als
de laatste krachten wijken. Ga met de familieleden
die bij het loskoppelen willen zijn samen naar
de beademde patiënt, leg hen uit dat als
iemand die overlijdt er soms bewegingen kunnen
ontstaan in de armen en benen die veroorzaakt
worden doordat het zuurstof gehalte in het lichaam
daalt; dat dit kan gebeuren ook al de hersenen
definitief afgestorven zijn (in sommige klinieken
geeft men om deze bewegingen te voorkomen een
spierverslapper maar doe dit nooit zonder dat
de reden van dergelijke medicatie aan de familie
is uitgelegd). Voorkeur heeft om de monitor systemen
af te koppelen zodat het dying heart fenomeen
niet zichtbaar is voor familie. Als alles in een
harmonie verloopt laat de familie op dit moment
alleen en zeg dat je hen alleen wilt laten met
degene die aan het overlijden is. Meestal is er
een verpleegkundige die erbij blijft. Soms wil
de familie onder elkaar zijn zonder medisch of
paramedisch personeel. Na het overlijden condoleer
de familie en bespreekt enkele praktische zaken
zoals het op de hoogte stellen van degene die
op de hoogte gesteld gaat worden en hoe de verdere
procedures zal lopen rondom het overlijden. Neem
afscheid en biedt een nagesprek aan. Noteer de
belangrijkste gebeurtenissen rondom het overlijden
in de status.
|